O Heer, wat is het goed om hier te zijn.

Intimiteit

De zomers van mijn jeugd bracht ik jaarlijks een aantal weken door in de Zwitserse bergen. Wandelschoenen aan en uren door de bergen struinen. Omgeven door majestueuze bergtoppen, ijle lucht en de hemel dichtbij. Alsof je de dingen van beneden even achter je laat. Hindernissen uit de weg worden geruimd, gedachten vervliegen en je hart zich zomaar opent. Je komt een enkele wandelaar tegen, Grüss Gott, begroet je elkaar.

De hoogte, de weidsheid, mijn ervaring is dat het een ruimte schept, een sfeer, die je ontvankelijk maakt. Alsof je het leven met andere ogen bekijkt. Anders dan wanneer je je bevindt in de drukte van een winkelstraat. Of in de energieke, dynamische sfeer op kantoor. Dan doe je andere ervaringen op dan wanneer je je bevindt in de berglucht. Of op de dijk, uitkijkend over de Lek. Of schaatsend door de Vlist.

Jezus neemt drie van zijn vrienden mee, een steile berg op. Hij tilt ze als het ware op, boven de aardse dingen uit. Ze klimmen naar boven, een klein gezelschap. Mogelijk was het sabbat, het is de zesde dag. Jezus zoekt de ruimte, de stilte. Om te bidden, misschien? Jezus was een biddend mens. Alleen of in klein gezelschap zoekt Hij het aangezicht van zijn Vader. In stilte, in woorden.

Het vraagt een bepaald… vertrouwen. Om zo kwetsbaar te worden voor God. Neer te knielen, stil te worden. Dat doe je niet zomaar. Veel van ons zijn dat misschien helemaal niet gewend, om te bidden in het gezelschap van anderen. En tegelijk, het heeft een hele eigen kracht in zich. Als je samen bidt. Aan tafel, in het gezin. Als geliefden, in de avond. Met een vriendin. Oefen er eens mee, bij iemand die je vertrouwt.

Jezus’ vrienden zijn er vandaag getuige van. Hoe Jezus in de bergen verstilt voor God. En voor hun ogen zien ze Hem veranderen. Een metamorfose, schrijft Marcus. Een metamorfose van Jezus. Zijn gedaante, zijn gezicht, zijn kleding, alles glanst als licht, als fris wit linnen, als zuivere, verse sneeuw. Jezus straalt een lichtheid uit, die in woorden niet te vatten is. Hij glanst als de zon, Hij schittert als een edelsteen. In stil ontzag aanschouwen ze Hem, Petrus, Johannes, Jakobus.

Ze zijn zomaar meegenomen door Jezus, onwetend van wat hen gegeven zou worden. En nu zijn ze hier, in de lichtkring van de Heer. Omdat ze Hem niet hebben weerstaan, maar in zijn voetsporen gingen. Achter Hem aan. In een trage klim de berg op, op de 6e dag. 

Vandaag is de 7e dag. Dag na de sabbat. De dag van de opstanding. Het wit van Jezus, is het wit van de Paasmorgen. De enige twee keer dat het woord voorkomt in het Marcusevangelie. De witte kleren van Jezus, op de berg, zijn dezelfde als de witte kleren van de jongeman in het lege graf. De glans van Jezus is een vooruitblik naar de zon die opkomt op de morgen van Pasen. En elke zondag is het Pasen, als wij samenkomen in het licht van het Evangelie, in het licht van Christus.

Op de ouderenmiddag vorige week lazen we een gedicht van Ida Gerhardt, over het licht dat begint te wandelen door het huis. Over het witte kleed dat is gespreid. En jullie vertelden, ik vond dat zo prachtig, hoe dat vroeger ging op zondagochtend. Doordeweeks altijd een gewoon tafelkleed waarmee de tafel werd gedekt. Maar op zondag, dan werd het witte kleed gespreid en de tafel gedekt met fris, wit linnen. Alsof je ouders intuïtief aanvoelden, zondag is het altijd Pasen. En het witte kleed is als een doopkleed, als de lichtglans van de Heer.

Vandaag ben je hier, in de kerk. Of je luistert thuis mee. Alsof Jezus je meegenomen heeft, hier naar toe. Je heeft aangespoord om in de kring te komen van de gemeente. Om er thuis voor te gaan zitten, bij de laptop. Mee te zingen, mee te luisteren. Het is een roep die Jezus tot je doet uitgaan. Om Hem na te volgen. In zijn nabijheid te verkeren. Want wil je iets van zijn glorie en zijn licht aanschouwen, laat je dan door Hem meenemen. Zoek dat op. De momenten in de kerk, het gebed zomaar op een achternamiddag aan tafel.

Want juist in die nabijheid rond Christus, opent zich iets van een vergezicht. Of van een ander licht op de dingen. Als je je daar aan onttrekt, dan verlies je ook iets. Van een ander woord in deze wereld. Van een woord van hoop in een wereld van wanhoop. Ik hoor het ook van jullie, op een kring, in een gesprek. Dat je tegen elkaar zegt, ik heb het nodig, om in de kerk te zijn. Ik moet me er wel toe zetten, maar als ik naar buiten stap, dan besef ik hoe goed het is om daar te zijn.

De liturgie, het samenspel van muziek en stilte en gebed en woorden, de liturgie opent als het ware een ruimte waarin God zich ontmoeten laat. Waarin er licht opgaat, van Jezus nabijheid in ons midden.

En als je uit de kerk komt, bezie je de wereld weer met nieuwe ogen. Glanst er iets van het licht van Christus in jou. Moge het zo zijn. Omdat in Jezus zich iets voltrekt, wat je anders leert kijken, naar je leven, naar de hoogte en de diepte.

Het verlangen

Dit geheimvolle gebeuren, de Heer die een metamorfose ondergaat, dit hemelse schouwspel, het zit ingeklemd tussen lijden, en een roep om Jezus te volgen. Marcus 8. En tussen een bezeten kind en vrienden die Jezus niet begrijpen. Het vervolg van Marcus 9.

Jezus vertelt hoe Hij zal moeten lijden. Als een onontkoombare weg, waarop Hij gedood zal worden. De kaarten zijn geschud. Maar Petrus kan het niet verdragen. Hij wijst Jezus terecht. Nee Heer, niet deze weg. Een aangrijpend moment van scherpe woede bij Jezus. Satan! noemt Hij Petrus. Uiteendrijver, je brengt mij in verwarring, je trekt mij uit elkaar. Achter mij. Wil je mij navolgen? Dan zul je deze weg moeten gaan. Van verlies, en van lijden.

Misschien kom je allemaal op een punt dat je dat onder ogen moet zien. Hoe het leven met Jezus de vreugde en de vrijheid kent, maar ook iets van verlies, van ondergang, van kruisdragen. Huist ergens in ons het onbegrip van Petrus, het verlangen naar zelfbehoud. O God, ik wil mijzelf niet opgeven.

Hoe krachtig, en teder tegelijk, dat juist Petrus door Jezus wordt meegenomen, de berg op. Dat aan hem die de spanning, het lijden, niet kan verdragen, niet wil ingaan, dat aan hem gegeven wordt om Jezus in zijn glorieuze heiligheid te aanschouwen.

Als een vooraankondiging van de verrijzenis, een teken op de puinhoop van de wereld (Hester Knibbe), dat het licht zal worden. Het is de weerglans van God zelf die Jezus omgeeft. De kabod, de heerlijkheid van God. En heel je wezen wordt beroerd. Je oog, je oor, je hart, je hele wezen. Oog in oog met die glans, word je stil.

Hoewel, Petrus begint te praten. Hij praat voor zijn beurt. Marcus schrijft dat Petrus antwoord geeft, terwijl er niet eens een vraag gesteld. Je kent dat wel. Misschien doe je het zelf, als de spanning je teveel wordt. Of maak je het mee, dat iemand praat en praat en praat, terwijl je zelf in stomheid achterblijft, geen woord weet uit te brengen. Omdat wat je net hebt meegemaakt,  te groot, te schoon, of te schrikwekkend voor woorden is. Zwijgen past dan beter.

Unicef gaf deze week een blanco persbericht uit, vanwege de verhevigde strijd in Syrie, de vele kinderen die omkomen. Ik denk dat zij heel goed begrijpen dat woorden niets kunnen uitdrukken van het afgrijselijke oorlogsgeweld. Hoe kinderen zo verscheurd worden, letterlijk ook, door de doodse kracht van wapens. Een organisatie als Unicef voelt dan blijkbaar aan, nu moeten wij zwijgen.

Jezus in zijn glanzende goddelijkheid, het is iets dat maar aan een enkeling getoond wordt. En dan nog, die ene man, Petrus, begint te praten om de stilte te vullen die hij niet kan verdragen. En tegelijkertijd is het Petrus die overloopt van verlangen. Ik vind dat ergens zo herkenbaar.

Jezus is in gesprek met Mozes en Elia. Ze vinden elkaar, in een ontroerende eensgezindheid. Ze spreken samen. De wet, de profeet, het evangelie. Gedrieën weerspiegelen zij hoe God onder ons wonen wil.

Petrus onderbreekt dat gesprek. Zijn hart loopt over. Wat is het goed om hier te zijn, zegt hij. Het verlangen dat daarin doorklinkt, dat raakte mij zo. Omdat ik het herken, denk ik. Een diep verlangen naar de nabijheid van Jezus. Naar zijn glorie. Naar een moment waarop de vragen verstommen, er alleen maar aanbidding is, en licht.

Is het niet het verlangen naar de Godservaring? Waar heel je bestaan in het licht wordt gesteld. Een ervaring van hemelse vrede, van aanvaarding, van bevrijding. Soms ben je daar je leven lang naar op zoek. En onverwacht word het je weleens gegeven. Een glimp van Gods licht. Een besef van Zijn aanwezigheid.

Soms zoek je het in muziek, in de natuur. In een conferentie, een event. Steeds weer zoeken naar die ene ervaring, naar iets van God in jouw leven. Liefst was je voortdurend in de bergen, in de hoogte. Op de toppen van het leven. Je begrijpt Petrus misschien wel heel goed. Ik begrijp hem denk ik maar al te goed.

Laten we hier drie tenten neerzetten, zegt Petrus. Drie heiligdommen, tempeltjes om ze vast te houden, Jezus, Mozes en Elia. Grijpbaar, tastbaar, zichtbaar moet het zijn. Anders vervliegt het zomaar. Je geloof heeft wortels nodig, en houvast.

Jezus gaat er niet op in. Hij berispt Petrus ook niet. Hij reageert er alleen niet op. Het is ook de vraag wat er mis mee is, met dat verlangen, met het intense zoeken naar God. Soms kun je weken verder na een goede conferentie. Een geweldige muzikale avond kan je geloof nieuwe kracht geven, en je moed geven om de week in te gaan.

Tegelijk kan het wel een enorme belemmering zijn. Een belemmering in het navolgen van Jezus. Als je alleen maar de hoogte wilt, het hemelse, een tastbare God. Omdat God niet tastbaar is, maar vaak zo verborgen. En omdat zijn zoon een weg van gebrokenheid gaat, van verlies. Het is de vraag of God altijd in de hoogte te vinden is, in een overweldigend event, een perfect georganiseerde viering, in de ervaring.

Zou het niet zo kunnen zijn, ik denk het met schroom, ik zeg het met aarzeling, zou het zo kunnen zijn dat in het lijden, in de gebrokenheid, zich iets aan je voordoet, waarvan je weet, dit is de Heer? Geen jubelende ervaring of een overtuigende zekerheid, maar een genadegave van God die Hij je geeft? Een besef van zijn aanwezigheid, in de diepte? Het kan je ver bij God vandaan trekken, het kan je ook heel intens met God verbonden doen zijn.

Jezus’ roeping ligt in de diepte. Als ze van de berg afdalen, het gewone leven weer in, dan stromen de mensen toe. Ze maken ruzie met elkaar, ze bevragen elkaar over Jezus en zijn woorden. En er is een man met zijn zoon, een diep gebroken jong mens, die zichzelf pijnigt en door kwade machten bezeten is. De leerlingen staan met lege handen. Maar Jezus bevrijdt het kind en stelt hem in het leven.

Jezus moet op de aarde zijn, onder de mensen, onder de lijdenden. Voor wie heeft Jezus geleefd? Vroeg ik de catechisanten dinsdag. Voor wie is Jezus gestorven, ja, maar eerst de vraag, voor wie heeft Hij geleefd? Haarscherp wisten jullie dat te benoemen. Jullie voelen dat wel aan. En allemaal herkenden we ons wel in een van de mensen, in de zieke, de angstige, in de hebberige, de zoekende, in de gewone mensen. En dat Jezus leven en dood de dingen anders maakt. Soms een klein beetje, soms overweldigend groot.

Jezus wil op de aarde zijn, onder de mensen, onder de lijdenden. En als je Hem wilt volgen, zul je daar ook zijn. Soms op de berg, in de hoogte, dicht bij Gods aanwezigheid. Vaker in de diepte, met je voeten op de grond. En de glans van de Heer op je gezicht. Misschien dat niemand dat ziet. Of soms, toch.

Dat je collega zegt, wat is dat toch met jou, ik zie iets aan je. Of je dochter. Mam, je bent echt anders geworden. Of je merkt het zelf. Het licht dat uitgaat van Christus, is een kracht die je hart verandert. En je denken vernieuwt.

Beschutting

Wat is het goed om hier te zijn, verzucht Petrus. Wat kan dat je intense verlangen zijn. Als het leven je overspoeld. Of als je in een volle zaal met zingende mensen bent en de kracht van God zo sterk ervaart. Of zomaar in de kerk.

Wat is het goed om hier te zijn. Wat zou ik hier graag blijven.

Dan valt de aanwezigheid van God troostend om hen heen. Een wolk overschaduwt de zes mensen. Mozes, Elia, Jezus. Petrus, Jakobus en Johannes. Als vleugels om onder te schuilen. Zoals de wolkkolom het volk Israel vergezelde, door de woestijn, zo overschaduwt God ons leven, in de woestijn, of op de berg, of in het dal.

Het is de verborgenheid van God die ons omgeeft. Wij zien Hem niet, enkel die wolk die zijn aangezicht verbergt. De verborgenheid van God, misschien ervaar je die wel veel sterker in je leven dan de intense nabijheid.

Maar vanuit de verborgenheid doorbreekt God het zwijgen. Een zevende stem, de volheid, een zevende stem voegt zich bij de sprekende mannen. Ze worden stil. En luisteren. Grote God, Gij hebt het zwijgen, met uw eigen, lieve stem doorboord.

Als God spreekt, dan licht in de verborgenheid iets op, als een sluier die opgetild wordt, als licht van de zon dat door het wolkendek schijnt. Hij mengt zich in het gesprek. Hij buigt zich moederlijk over dat kleine gezelschap op de berg. Zo staan ze daar, in de lichtkring van Jezus, overschaduwd door de Allerhoogste.

O Heer, wat is het goed om hier te zijn.

God doorbreekt het zwijgen. Hij heeft ons zijn Woord gegeven. En als Jezus met zijn vrienden de berg afdaalt, dan ligt daarin hun houvast. In het Woord dat Jezus gesproken heeft. In Hem die zelf het Woord is.

En nu is alles anders. God roept ons in het licht van Christus te komen. Zijn glorie schijnt op jou. Zijn Woord is in jou. Zijn schaduw is om jou heen. En als wij afdalen, de diepte in, als het gewone leven op ons wacht, dan gaan wij onze weg. Maar niet alleen. De Heer gaat ons voor.

Zondag 25 februari 2018, 10.00 uur
2e zondag veertigdagentijd
P.G. de Hoeksteen
Ds. Hanneke Ouwerkerk