Onder vreemden

Het speelt het liefste ver weg op het strand,
het kind dat nooit zijn eigen vader ziet,
die overzee is in dat andere land.

Het woont bij vreemden en het went er niet.
Zij fluisteren erover met elkaar.
Heimwee huist in zijn kleren en zijn haar.

En altijd denkt het dat hij komen zal:
vandaag niet meer; maar morgen, onverwacht –
en droomt van hem en roept hem in de nacht.

Ik wacht u, Vader van de overwal.
(Ida Gerhardt, Verzamelde Gedichten)

Onder vreemden

Daniel is ‘ onder vreemden’. In ballingschap. Niet op de plek waar hij thuis hoort, maar in een vreemd land, met een andere taal en andere gewoonten. Met andere goden ook. Zoals vandaag veel mensen balling zijn, in den vreemde, zoals dat dan genoemd wordt. Vanuit hun thuisland vrijwillig of noodgedwongen naar een ander land getrokken.

Het wordt van de kerk ook wel gezegd, van christenen, dat we vreemdelingen zijn. De verwachting van het rijk van God, maakt dat dit leven hier op aarde voor ons niet alles is. Er staat nog iets uit, Gods rijk komt naar ons toe. Die hoop brengt met zich mee dat je ook iets van vervreemding, van ballingschap kunt ervaren in dit bestaan. Iets van die heimwee, waar Ida Gerhardt in het gedicht van verhaald, is mij niet vreemd. Misschien herken je het wel.
En tegelijkertijd, dit is de plek waar wij mogen leven, deze aarde, deze wereld. Al draagt het altijd iets in zich van wonen onder vreemden.

In dat vreemde land, met haar grootse literatuur en machtige mensen, met die vreemde goden ook en de overweldigende welvaart, in dat land is Daniel terecht gekomen, noodgedwongen, opgeeist door de koning van Babel, Nebukadnesar. Maar midden in Babel, dat heidense land, gaat God zijn weg met Daniel en klinkt zijn naam boven alles uit.

Mag het ons hoop geven op God, de levende. Die ook op plekken waar Hij steeds meer uit beeld verdwijnt, waar zijn Naam misschien nooit meer genoemd wordt, toch zijn sporen trekt. Ik hoor en merk hoe on-vanzelfsprekend het geworden is. Het is niet meer vanzelf zo dat generatie op generatie het geloof behoudt, dat partners daarin dezelfde weg gaan, dat vrienden geloofsvragen delen of dat collega’s je levensvragen herkennen. En tegelijkertijd, zomaar groeit er ergens anders nieuw geloof, hervindt een ander zijn Godsvertrouwen en zoekt iemand de God van wie hij nooit eerder gehoord had.

Het is de wereld waar wij in leven. Waar God zich steeds opnieuw ter sprake brengt.

Leven in de spanning

Daniel wordt helemaal ingetrokken in de invloedssfeer van Babel. Hij is aan het hof van de koning. Wordt ondergedompeld in de taal, de literatuur en geschiedenis van het land, samen met zijn vrienden. Alles wordt er aan gedaan om ze te ontjoodsen, om ze los te weken van hun thuis en echte Babyloniers te maken. Die net zo denken, doen en praten als alle anderen. Zelfs krijgen ze een nieuwe naam.

Droegen hun oude namen nog tekenen van de God van Israel, hun nieuwe namen zijn daarvan ontdaan. Als ze aangesproken worden, komt God niet meer ter sprake, maar klinken de namen van een van de vele afgoden die Babel rijk was.
Zo wordt hun leven gevormd door de wensen van de koning, door de gewoontes en religie in dat vreemde land.

Zo gaat dat, zo wordt je als mens gevormd. Niet zozeer door hele specifieke keuzes die je maakt, maar vanwege het verhaal waar je in leeft. Daar word je door gevormd. En voor elk van ons kan dat weer anders zijn. De dingen die er aan bijdragen hoe je denkt, wat je doet en hoe je leeft, waar je verlangens vandaan komen; we zijn geneigd dat als persoonlijke keuzes te zien, maar veel eerder heeft dat alles te maken met de kringen waar je in verkeerd, de vrienden die je hebt, de sites die je bezoekt. Die vormen ons denken en ons doen.

Voor jonge mensen geldt dat heel sterk denk ik. Alles is toegankelijk, alles is zichtbaar en mogelijk. Dat vraagt veel aan het vermogen om te onderscheiden. Voor ouders en leerkrachten een grote opgave, om kinderen daar in te begeleiden. Het vraagt ook een kritische blik op jezelf, wat zijn mijn bronnen en mijn richtlijnen.

Het is ook wel heel mooi als we daar met onze kinderen open over kunnen spreken. Dat we niet al te bang zijn voor wat jullie, tieners, allemaal zien en bekijken. Dat we er niet al te snel op afgeven, kritisch op zijn. Maar samen kijken naar hoe je op een goede manier daarmee omgaat. En daar keuzes in maakt die goed zijn voor jezelf en voor de mensen om je heen.
Volgens mij zijn jullie je daar vaak ook wel bewust van, dat niet alles wat je ziet en doet, ook zomaar goed voor je is.

Daniel is ook geen kluizenaar trouwens. Integendeel. Hij leeft daar aan het hof, op de plek waar hij nu eenmaal is. In de kring rond de koning, in zijn invloedssfeer die heel ver reikt. Hij spreekt de taal, draagt hun naam, doet zijn werk. Hij gaat heel ver mee in de gewoontes en de gebruiken.

Maar ergens is er een grens. Een punt waarop Daniel zegt: hier wringt het, als ik hierin mee ga verlies ik mijzelf, verlies ik God. De koning schrijft voor wat de mannen moeten eten. Uitgebreide overvloedige maaltijden, volop wijn en dat elke dag opnieuw, drie jaar lang. Het is een brug te ver voor Daniel. Blijkbaar staat hier iets op het spel. Daniel wenst de joodse spijswetten te houden. Niet als een rigide traditie waar hij sterk aan gehecht is. Maar de spijswetten geven iets weer van het eigene van de joodse identiteit. Het verbond tussen God en mens staat hier op het spel. Wij leven van wat God ons geeft, en niet van wat de koning ons opdringt.

Ver is Daniel meegegaan, zijn hoofd is gevuld met vreemde talen en kennis van een ander volk. Zijn wortels zijn steeds verder afgesneden, dat zelfs zijn naam niet meer genoemd wordt, zijn God genegeerd wordt. Maar in zijn hart bewaart Daniel zijn verbondenheid met God. En dat maakt hem bewust van wat er op het spel staat.

Dat is nu wat een christen te doen staat. Leven in de spanning. Meebewegen, leven op de plek waar je bent. Niet al te bang zijn ook, kijk naar Daniel. Maar wel alert zijn, waar word ik door beïnvloed, uit wiens hand eet ik, welke taal spreek en wat vormt mijn gedachten?En opmerkzaam zijn op dat ene dat je ziel schaadt en je bij God wegtrekt. Op datgene waardoor je volledig ondergaat en je los gescheurd raakt van God. Dat kan in elke tijd en in elke cultuur weer iets anders zijn.

Gemakkelijk is het niet. En je kunt er enorm naar verlangen, midden in deze tijd waarin zoveel naar je toekomt en de dingen zo grijs zijn, zo onduidelijk, en zo verwarrend, wat kun je dan verlangen naar zuiverheid, naar reinheid.

Hier in Daniel 1 gaat het om voedsel. Een van de dingen van dit moment waar alles aan opgehangen wordt, aan voedig. Van slowfood tot suikervrij tot noem maar op. Het weerspiegelt denk ik iets van de angst om besmeurd te worden met wat niet goed voor je is. En van de diepe wens naar reinheid, naar een schoon bestaan dat vrij is van slechte en ongezonde dingen.
Maar het is de vraag of dat onze roeping is. Het ging Daniel niet zozeer om gezonde en zuivere voeding, maar om de weg te gaan van God.

Christus is ons voedsel

We zijn niet zozeer geroepen tot een leven in zuiverheid, maar veel eerder tot leven midden in de spanning. Niet als een kluizenaar, wat ook zijn eigenheid heeft, en waar sommige mensen heel specifiek toe geroepen zijn. Maar wij, gewone mensen, zijn hier op deze plek, midden in de hectiek van het bestaan, om te leven met wie we op onze weg ontmoeten. En om daarin verbonden te zijn met Christus. Trouw aan God en aan de mensen. Niet om een zo voorbeeldig en onberispelijk mogelijk leven te leiden. Nee, dat niet. Ons leven is veel grilliger dan dat, ons hart is veel ambivalenter ook, veel meer een bron van goed en kwaad.

Hoe blijft Daniel daarin staande? In die spanning, dat grootse leven aan het hof en aan de andere kant zijn joodse wortels? Hij blijft niet staande door overal tegen te zijn, of door zich terug te trekken. God houdt hem staande. God die zijn handen niet van ons aftrekt, maar door alles heen, zijn sporen trekt, zijn Naam steeds weer doet klinken. Ook in vreemde gebieden en op plekken waar Hij niet genoemd wordt.

God houdt ons staande en voedt ons met zichzelf. Wij leven niet van wat de wereld ons opdringt, maar wij leven van wat God ons schenkt, zijn eigen zoon Jezus Christus. Hij is aan ons gegeven, als voedsel om van te leven.

En midden in deze wereld, waar wij onbewust ook zo gevormd worden door alles wat zich aan ons opdringt, midden in deze wereld wordt Christus aan ons gegeven. Als een bron van overvloed. Brood en wijn, die ons leven doortrekt en ons hart versterkt. En door de gave van Christus, ontstaat er ruimte om te leven. Met twee benen in de modder van het bestaan, waar goed en kwaad soms zo grijs zijn, en we alle kanten op getrokken worden. Maar in de innige verbondenheid met Christus, die zichzelf aan ons weggeeft, worden wij steeds weer opgericht. Ontvangen wij nieuwe moed, nieuwe genade om te leven midden in de wereld, waarin God zelf van zich laat horen.

Daniel 1
Zondag 2 juli 2017, 9.30 uur
PG de Hoeksteen Schoonhoven
Ds. Hanneke Ouwerkerk