Onsterfelijkheid

Deze week berichtten de media van een vrouw in Rotterdam die tien jaar dood in haar huis heeft gelegen. Een schokkend bericht.

Niet zozeer omdat die alleen vrouw gestorven is, en tot stof vergaan zonder een fatsoenlijke begrafenis. Maar vooral vanwege de enorme eenzaamheid die het bericht suggereert. Dat zij door niemand werd gemist. Hoe kan het bestaan, dat niemand haar meer heeft gezocht, haar naam genoemd, geëerd, herdacht? Dat zij eigenlijk toen ze leefde al dood was, in ieder geval voor haar medemensen? En of ze het er nu naar gemaakt heeft of niet (haar dochter vertelde dat haar moeder haar gewon niet meer wilde zien): dit gun je niemand.
En het bericht confronteert ons met de vergankelijkheid van het bestaan. Want laten we wel zijn: hopelijk en waarschijnlijk zal niemand van ons zo naamloos ten onder gaan. Maar vroeg of laat verdwijnen wij allemaal in de vergetelheid. Wie zal zich ons nog herinneren over honderd, tweehonderd jaar? Dan zijn wij ook verdwenen, vergeten, als die arme Rotterdamse vrouw. Dan draait de wereld door zonder ons. Dan gaat de geschiedenis door, maar zonder ons.

Marco Borsato zingt: Afscheid nemen bestaat niet… Is dat waar? Bestaat afscheid nemen werkelijk niet? het liedje lijkt niet erg realistisch. Vroeg of laat komt de dag dat er niemand meer is die aan ons denkt, dat het afscheid van deze wereld definitief is.

Geen wonder dat mensen verlangen naar onsterfelijkheid. Het verlangen naar onsterfelijkheid is de keerzijde van de angst voor het grote afscheid, de grote leegte die wij dood noemen. Het verlangen naar onsterfelijkheid is zo oud als de mensheid. In de meeste godsdiensten speelt het  geloof in onsterfelijkheid, of een onsterfelijke ziel, een belangrijke rol.

En de wetenschap zit ook niet stil. We worden dankzij het werk van knappe onderzoekers en artsen en apothekers ouder en ouder…  Van de meisjes die nu geboren worden, wordt de helft ouder dan honderd!

Pensioentechnisch gezien wordt dat misschien een lastig verhaal. En wie moet straks voor al die oude mensen zorgen, en wie gaat dat dan betalen? Of is het straks alleen iets voor de rijken? En we vragen ons misschien wel eens af: waar moet dat stoppen. Maar verder zijn we er maar wat blij mee! Geweldig! Doen! Hoe langer we leven, hoe beter. Hoe langer we de dood van ons af houden, hoe beter…

Het gekke is dat de Bijbel juist zo aarzelend, terughoudend is als het gaat om ons menselijk verlangen om oud en ouder te worden, en zelfs onsterfelijk.

De Bijbel vertelt ons duidelijk hoe God ons beperkt in de tijd. Ik lees uit Genesis 6. Voorafgaand wordt verteld over de nakomelingen van Adam, de eerste mens die alsmaar ouder en ouder worden, met Methusalem als absolute kampioen met zijn 969 jaar (Gen 5:27). Dan lezen we in Genesis 6: 1-3: 1 Zo kwamen er steeds meer mensen op aarde, en zij kregen dochters. 2 De zonen van de goden zagen hoe mooi de dochters van de mensen waren, en ze kozen uit hen de vrouwen die ze maar wilden. 3 Toen dacht de HEER: Mijn levensgeest mag niet voor altijd in de mens blijven, hij is immers niets dan vlees; hij mag niet langer dan honderdtwintig jaar leven.

God beperkt onze leeftijd tot 120 jaar!  Dat is mooi. zeker niet kort, maar ook niet te lang. Royaal, maar naar menselijke maat.

In Genesis 9 wordt dan het verhaal van de Torenbouw van Babel verteld, daarin wordt de mens ook beperkt, maar dan in de ruimte. De mensen willen naar de hemel, op eigen kracht de hemel bestormen. Maar daar steekt God een stokje voor. Hij verstrooit ze over de aarde. Want de aarde moeten ze bevolken, over de aarde moeten de mensen zich verspreiden. De aarde is het domein van de vergankelijke mens, de hemel is het domein van de onsterfelijke God. En die twee, aarde en hemel, mens en God gaan niet zomaar in elkaar over.
Genesis vertelt zo dat het de roeping van de mens is om echt om mens te zijn, aards, sterfelijk;  en niet naar goddelijkheid of onsterfelijkheid te streven. 
 
En hoe zit het dan met opstanding, opstanding uit de dood – een centraal bijbels thema toch? Eén ding moet duidelijk zijn: opstanding uit de dood is niet hetzelfde als onsterfelijk zijn. Alle mensen in de bijbel sterven vroeg of laat – misschien op Henoch en Elia na, maar dat zijn verhalen apart. Maar verder sterft iedereen: ook Abraham, ook Mozes, ook David, ook de grote profeten, ook Lazarus en het dochtertje van Jairus en die dode kinderen van weduwen die door Elia en Lisa die werden opgewekt, en ook dat kind dat Petrus opwekte – ze sterven eerst. Zelfs Jezus is gestorven en begraven, voordat hij werd opgewekt.
De bijbelse weg van uittocht en doortocht is een weg die door de dood heengaat. De Bijbelse herschepping vindt plaats uit de dood. Dat is dus iets anders dan onsterfelijkheid!
Wij mensen zijn geen onsterfelijke wezens. Wij hebben wel een onsterfelijke God. Die zich om ons bekommert! Dat wel.  

Het woord onsterfelijkheid komt maar twee maal voor in de Bijbel. De ene plaats is: 1 Timoteus 6: 16. Daarin roept Paulus zijn leerling en vriend Timoteus op om trouw te blijven … aan God, de Vader van Christus, die in een ontoegankelijk licht woont, en die alleen onsterfelijkheid heeft….

God alleen is onsterfelijk. Letterlijk staat er : alleen God heeft onsterfelijkheid. 
En in I Kor 15 komt het woord onsterfelijk ook voor. In de opstanding zal ons sterfelijke lichaam  door God worden bekleed met onsterfelijkheid, op een moment dat alleen Hij zal bepalen. Maar voor het zover is moeten we dus eerst door de dood heen. In de opstanding zal God ons dat ultieme geschenk geven…

Geweldige belofte, geweldig perspectief!
Maar zolang wij hier deze aarde bevolken, moeten wij er maar niet naar streven om onsterfelijk te worden of te zijn. Hier op aarde zijn we geroepen om echt mens te zijn. Dat wil zeggen: wezens die beperkt zijn in de tijd, sterfelijke wezens.  Anders gezegd: de bijbel roept ons niet op om als goden te leven (eindeloos, onbeperkt, resuachtig), maar  juist om echt mens te worden.

En juist omdat God ons een beperkte tijd geeft- worden wij opgeroepen om die tijd dan ook goed te gebruiken! Iedere dag die we krijgen is een dag van God gegeven. Een geschenk. Laten we die dag dankbaar aanvaarden en er het beste van maken. Juist het besef dat het getal van onze dagen beperkt is, geeft iedere dag van ons leven een zekere lading. Eens houden die dagen op – laten we ze nu goed gebruiken! 

En als we dan, hopelijk als we oud zijn en der dagen zat, de geest geven, sterven, het leven teruggeven aan God, wat dan?

Dan begint het grote rusten. Dan begint het grote wachten op de opstanding. En in de tussentijd? Heerst daar het grote NIETS?

De Bijbel vertelt dat onze naam staat geschreven in Gods hand. Al voor we geboren werden, stond die naam daar, als we gestorven zijn, staat die naam daar nog steeds. 
Men zegt wel dat je pas werkelijk dood bent als er niemand meer is die zich jou herinnert! Nou, de dag dat geen mens ons meer herinnert komt dus vroeg of laat. Maar dat geldt niet voor God. Onuitwisbaar staan onze namen geschreven in Zijn hand. In Romeinen 8 staat lezen we dat niets of niemand scheidt ons van de liefde van God: …dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, niets zal ons kunnen scheiden van de liefde van God die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer…

Een paar jaar geleden overleed plotseling de enige zoon van de schrijver Adrie van der Heijden. Tonio, 22 jaar jong, lette fietsend door Amsterdam niet goed op en werd geschept door een auto. Adrie van der Heijden was kapot. Het enige wat hij kon doen, was over zijn zoon gaan schrijven. Hij schreef een dikke pil over zijn zoon, en noemde dat boek Tonio. Zeer aangrijpend, mooi boek. Het is een bestseller geworden. Met prijzen bekleed. In interviews zegt Van der Heijden: ik wil dat Tonia niet vergeten wordt. Dat hij verder leeft in mijn boek en door mijn boek. Dat mensen door mijn boek nog steeds aan hem denken, over hem praten. 

Indrukwekkend. En wat een vertoon van innige vaderliefde.
Alleen: niet alle jongens die omkomen in het verkeer hebben vader die dikke beroemde boeken over hen kunnen schrijven. Worden die dus veel sneller vergeten, verdwijnen die veel sneller in het niets?

Goddank niet. Goddank hebben we een onsterfelijke schrijver in de hemel, die onze namen, ook die van kinderen van totaal onbekende ouders,  in zijn hand heeft geschreven met onuitwisbare inkt.

Goddank mogen al die namen daar geschreven staan, tot de dag dat die grote vijand, de dood, definitief zal worden verslagen, en God alle doden op zal wekken en de plek zal wijzen die hen toekomt.     

Ik heb vanavond vanuit de bijbel iets over sterfelijkheid en onsterfelijkheid willen zeggen.
Geen zoet verhaal over afscheid nemen dat niet zou bestaan.
Geen zoet verhaal die de harde dood ontkent.

Ook geen zoet verhaal over de onsterfelijke ziel die rustig doorgaat. 
Ik heb jullie vanuit de bijbel een ander verhaal willen vertellen.
Over de dood die een realiteit is. Maar ook dat zelfs de realiteit van de dood ons niet kan scheiden van de liefde van God. En ik heb jullie vanuit de bijbel willen vertellen dat de dood weliswaar een realiteit is, maar niet het laatste woord heeft. Dat laatste woord is aan de liefde van God, die zelf onsterfelijk is, en ons beloofd heeft dat Hij ons a, nooit zal vergeten en b. eens, in de opstanding, in zijn onsterfelijkheid zal laten delen.
Daarmee, met dat geloof valt te leven en te sterven.

Amen.

Ds. Frans Willem Verbaas