Over het hoofd zien

Over het hoofd zien

De kerk is een van de weinige plekken waar zoveel verschillende mensen naast elkaar zitten. Misschien ben je je er van bewust. Of is het je eigenlijk nooit zo opgevallen. Maar als je eens naast je kijkt, of achter je, dan merk je het denk ik wel. Kinderen en oude mensen zitten naast elkaar, een rijke man zit achter iemand die maar net de eindjes aan elkaar kan knopen. Ergens anders zit iemand met misschien geen blanco strafblad, vlakbij een vrouw die altijd kalmpjes door het leven heen rolt. En naast de jongen met een handicap zit een meisje met een goed stel hersens.

We spreken allemaal dezelfde taal, de meesten van ons hebben Nederlandse wortels. Maar toch merk je dat afkomst, welvaart of armoede, opleiding, het vormt je tot wie je bent.
Het maakt verschil, of je bent opgegroeid aan, ik noem maar iets, de Tiendweg, of in Schoonhoven centrum.
Het milieu, de sfeer waar je uit komt, bepaalt voor een groot deel hoe je naar je omgeving kijkt. Welke kansen je krijgt.

In de eerste gemeente ging dat soortgelijk. Alleen was er dan ook een taalverschil. Sommigen spraken Grieks, anderen Hebreeuws. Sommigen kwamen uit Jeruzalem, anderen uit de omliggende steden of dorpen.

Er was onvrede. Dat is denk ik hoe dat gaat.

Het geeft veel energie, als verschillen overbrugd worden, als in de diversiteit iets van eenheid gevonden wordt. Maar gemakkelijk is het niet. En vanzelf gaat het niet. Soms kan er verwijdering ontstaan, en komen de verschillen ineens heel sterk aan het licht.

De Griekssprekende gemeenteleden klagen onder elkaar. Het is ook geen geringe zaak. Hun weduwen worden verwaarloosd bij de dagelijkse maaltijden.

Je weet, ze deelden de maaltijd met elkaar. Aan het eind van elke werkdag kwamen de christenen samen, vanuit de stad zochten ze elkaar op. Wie veel had, bracht veel mee, wie weinig had kon zo aanschuiven. Zo zorg je voor elkaar. De meest kwetsbare mensen in die tijd waren de weduwen. Vrouwen die er alleen voor stonden, geen inkomen hadden. Ze waren volledig afhankelijk van de christelijke gemeente.

En om de een of andere reden werden de Griekssprekende weduwen over het hoofd gezien. Verwaarloosd.

Veel vrouwen in onze gemeente staan er alleen voor. Ze zijn weduwe, of gescheiden. Sommige mannen ook, die er alleen voor staan. Je herkent er misschien wel iets van, van je kwetsbaarheid. Sociale voorzieningen zijn er wel, natuurlijk. En ik merk en zie hoe sterk velen van jullie zijn. Soms sta je er zelf verbaasd van, soms weet je het van jezelf. Dat je veel aankunt. Als het nodig is. Die afhankelijkheid, ik weet niet of jullie dat nou herkennen. De een vast meer dan de ander.

Misschien zijn er vandaag de dag nog anderen die sterk de kwetsbaarheid ervaren. Mensen met een psychische ziekte, die allemaal merken hoe groot het taboe is. Dat je gesprekspartner schrikt als je vertelt van je depressie, of je opname, of… Dat je op je werk niet meer echt geaccepteerd wordt, langzaam naar de rand geduwd wordt. Of dat in de kerk misschien niemand echt weet hoe rot je je voelt, weken, maandenlang.

Mensen met een allochtone achtergrond, misschien? De vrees voor wie anders is dan ik, is breed gezaaid, ben ik bang. We zijn misschien wel heel argwanend geworden naar wie anders is, anders doet en anders praat. We missen hen ook in de kerk. Soms, een enkeling, die even aanhaakt. Maar we missen hen in ons midden.

Ik stel mij voor dat je in gedachten anderen weet, die in een kwetsbare positie zitten. Misschien ben je het zelf, of is het je kind, of je partner.

Het kan dus gebeuren, dat we hen, dat we jou, over het hoofd zien in de gemeente. Niet uit opzet, of uit kwaadwilligheid. Dat denk ik niet. Maar misschien wel omdat we met hele andere dingen bezig zijn. Omdat al onze aandacht uitgaat naar praktische zaken, of naar onze eigen sores, of… Maar dit is wel iets waar we elkaar op kunnen wijzen. Als je merkt dat kwetsbare mensen, die niet zo snel voor zichzelf op zullen komen, verwaarloosd worden, kaart het dan aan.

Ga er niet over zeuren onderling, ga er niet over mopperen tegen elkaar, over klagen. Maar benoem het. Trek een ouderling aan haar jasje, een diaken aan zijn mouw. Spreek vrijuit over wat er op je hart ligt.

Concentratie

De twaalf apostelen laten vervolgens zien wat goed leiderschap is. Heel inspirerend is dat, om te horen. Ze roepen de gemeente bij elkaar, waarmee zichtbaar wordt: wij gaan elkaar aan. We horen bij elkaar, samen gaan we de weg van Christus. Dat mag je ook verwachten van de kerkenraad, dat zij leiding geeft op een daadkrachtige, maar niet-autoritaire manier. Zij zet de lijnen uit, maar gezamenlijk gaan we de weg.

Is het je opgevallen wat de apostelen doen? Ze horen de klacht. Ze erkennen de klacht. Het is waar, dat is niet goed dat het zo gaat. En ze kiezen een focus. We moeten ons concentreren op wat nodig is. En op wat haalbaar is.
Wij, de apostelen, wij doen de dienst van het Woord. Bidden en preken, zogezegd. Anderen doen de dienst van de tafel, de diaconale taken.

Kun je nou hieruit de hele kerkenraadsstructuur afleiden? Nou, dat niet zozeer. Wel maakt dit verhaal zichtbaar dat het goed is om te horen wat er speelt in de gemeente. Dat wij, jij en jullie, het aangeven als dingen niet goed lopen. En dat wij, als kerkenraad, dat horen en oppakken. En er op een passende manier op inspelen.

Wat is nu nodig voor onze gemeente, en voor wie kwetsbaar zijn in ons midden? Dat kan in elke tijd ook weer een andere structuur zijn. Nu met het doelgroepenpastoraat zoeken we naar een nieuwe manier van omzien naar elkaar.
Als er maar helderheid is, een concentratie op wat gedaan moet worden. Ik vind het fascinerend dat de apostelen dat in de eerste eeuw al deden. Omdat het iets is wat denk ik een kritisch punt is van onze tijd. Het gebrek aan concentratie. De enorme trigger van alles wat er te doen en te zien en te horen valt.

Ergens geeft het een heerlijke dynamiek en veel energie, als je leven voortdurend in beweging is. Elk moment popt er iets nieuws op, je hoeft je nooit te vervelen, het aanbod aan muziek en film en vermaak is eindeloos. Op mijn tijdlijn verschijnen voortdurend interessante artikelen over de kerk, en literatuur, en poezie.

Tegelijk zijn er maar weinig mensen met een geest, een mind, die dat kunnen handelen. De meesten van ons hebben, denk ik, een geest die heel gevoelig is voor afleiding. Voor dat wat je aandacht aftrekt van waar je mee bezig bent. Het maakt je ontzettend rusteloos, en gestresst. Ik schrik er soms ook van als ik hoor hoe generaties maar nauwelijks staande blijven in die hectiek.

Als je ouder bent is het nog weer anders, denk ik weleens. Ik zie dat velen van jullie veel op hun bord hebben. Veel van het kerkenwerk wordt door jullie gedaan, en over de hoeveelheid vergaderingen, activiteiten, vrijwilligerswerk, hoor ik jullie zelden klagen. Komt dat omdat je meer getraind bent om je te concentreren? Omdat je de trigger van de cultuur niet zo sterk ervaart? Of is de druk voor jullie generatie minder groot? Misschien ben je wel realistischer in wat haalbaar is. En weet je dat er ook gewoon allerlei dingen zijn die gedaan moeten worden.

Een jongere generatie heeft vaak het gevoel niet toe te komen aan de dingen die je wilt, merk ik nu. Dat is de dynamiek waar we mee moeten leren leven. De energie die het geeft, maar ook de zuigkracht en de druk die het meebrengt.

De concentratie van de apostelen, – dit is wat wij moeten doen-, die zou je ook in je persoonlijke leven kunnen helpen. Ga eens voor jezelf na, waar leg ik mij op toe? En kun je ook voldoening vinden in die paar dingen die je te doen hebt. Dat 1 of 2 grote taken ook voldoende zijn? Denk daar eens over na voor jezelf.

En er zijn ook tijden dat je niets te geven hebt aan tijd en aan arbeid, maar dat je alles moet ontvangen. Zorg, aandacht, tijd. Sommigen van ons kennen dat, en weten hoe moeilijk dat is, maar ook wat het je soms brengt, aan concentratie op wat het leven eigenlijk is. En dan komt de hectiek en de overdaad en de eindeloosheid ineens heel onwerkelijk over. Waarom willen we dat zo doen?

Waar leggen we ons op toe in de kerk? Het ambt, en de bediening, die zijn juist ingesteld om ons te kunnen concentreren op wat de kerk te doen staat. Of anders gezegd, om ons te concentreren op wat ons gegeven is.

Het Woord. Onze God is een sprekende God. Zijn Woord is ons gegeven. Als een bron van leven. Als een onderbreking ook, van de wereld die maar draait en gaat.
En de gemeente is ons gegeven. Wij zijn elkaar gegeven. Ongeacht status, of afkomst, of bezit. En daarmee elk mens die op ons pad komt, binnen of buiten de kerk.

Die twee dingen, daar hebben wij ons op te richten. Op de stem van God. En op elkaar.

Wat gebeurt er dan, als je je concentreert op het Woord? De predikant is er voor vrijgesteld om te spreken van God, om te bidden voor de kerk en voor de wereld. De apostelen noemen het een bediening, een dienst. Een preek, een gebed, heeft dus iets diaconaals in zich. Het is een dienst die wij elkaar bewijzen dat de kerk op zondag open is, en dat wij luisteren naar het Woord. Verrassend, ergens wel. Het spreken van God is een geschenk. Wat brengt het je?

De ervaring dat ik niet van mijzelf ben, maar dat mijn leven in Christus ligt. De doop markeert dat besef. De maaltijd van brood en wijn vernieuwd die ervaring. Zo brengt het Woord van God dus ook een concentratie in je leven. Elke zondag opnieuw. Om zo de week door te komen en het vol te houden.

En het is juist vanuit het Woord dat we oog krijgen voor elkaar. Want dat we geen gelijkgestemden zijn, dat weten we wel van elkaar. En dat we soms hemelsbreed verschillen in onze levensstijl en ons denken, dat weten we ook wel. En toch ben je hier, en zit je naast iemand die je niet zelf hebt uitgekozen. En drink je koffie met een ander waar je niet zomaar vrienden mee zou worden. Maar in dit huis brengt Christus een eenheid, die daar door heen gaat. Mag dat ons vertrouwen geven, dat we in Godsnaam altijd weer een weg zullen vinden als gemeente. Omdat we niet van onszelf zijn, maar van Christus. Amen.

Zondag 10 juni 2018, 9.30 uur
Afscheid en bevestiging ambtsdragers
Handelingen 6: 1-7
Ds. Hanneke Ouwerkerk