Pasen en het dagelijks leven

Het is inmiddels al weer drie weken geleden dat we Pasen vierden met elkaar. Een feest waar we lang naar toe hebben geleefd. Een feest waar organist en cantorij weken voor hebben geoefend, waar een bijzondere kruisweg voor is gemaakt en waarvoor dominee Koole uren in zijn studeerkamer heeft gezeten. Ik hoop dat u er van heeft genoten. Wij hebben dat zeker gedaan.

En toch…. Ik kan u wel eerlijk zeggen dat ik als theoloog nooit helemaal onbevangen in de kerk zit, en  met Pasen lukte dat ook niet. Want terwijl we vierden dat het licht de duisternis doorbrak, en terwijl we zongen over de overwinning op de dood, keek ik om me heen.

Ik zag iemand die weduwe is geworden. Ik zag iemand die een kind heeft verloren. Ik zag iemand die te kampen heeft met ziekte. Ik zag iemand die zorg heeft voor een naaste die in de nabije toekomst zal overlijden.

En ik dacht: hoe doe je dat, Pasen vieren, als dit de dagelijkse realiteit is waarmee je wordt geconfronteerd? Als dit deel is van je dagelijks leven?

Pasen en het dagelijks leven. In mijn eigen dagelijkse leven staat, onder andere, een verpleeghuis, het verpleeghuis waar ik werk. In dat huis verblijven 125 bewoners. En u weet dat je, zeker de laatste tijd, niet zomaar in een verpleeghuis wordt opgenomen. Iedere bewoner van ons huis is getroffen door een zeer ernstige aandoening, en voor de overgrote meerderheid is ons huis voor hen ook hun laatste huis.

Pas nam ik deel aan een vergadering hier in de gemeente – we waren een beetje afgedwaald van ons vergaderonderwerp – en iemand merkte toen op dat het lijden in sommige tradities sterker de nadruk krijgt dan de opstanding.

Ik moest daar aan terugdenken toen ik bezig was met deze preek. Want met mijn werk als referentiekader, kan ik dat eigenlijk wel begrijpen. Eigenlijk moet ik ook toegeven dat ik de lijdenstijd beter begrijpen kan dan de paastijd. Want de mensen die ik in het verpleeghuis ontmoet, lijden. Zij kunnen zich identificeren met de angst, de pijn en de eenzaamheid van Christus. Omdat het angst, pijn en eenzaamheid is die zij dagelijks ervaren. Ze zijn onschuldig, en toch veroordeeld – tot een rolstoel, een bed, tot een tafel met mensen die niets tegen je zeggen.

En dan wordt het Pasen. Het graf is open, dat wel. Maar de deuren van de gesloten afdeling blijven dicht, de rolstoelen blijven in gebruik, de medicijnen worden nog dagelijks door de apotheek aangevoerd. Wat betekent Pasen in dit licht?

En wat betekent het in ons eigen leven, waarin enerzijds veel vreugde is te vinden, maar waarin we anderzijds ook te maken hebben met verdriet en van zorg?

We kijken met elkaar naar de tekst uit het evangelie van Lukas die we zojuist met elkaar hebben gelezen.

Op het moment dat de tekst begint, zijn er twee personen tegen de discipelen en de andere leerlingen aan het praten. Het zijn de zogenaamde ‘Emmausgangers’. Ze vertellen wat ze hebben meegemaakt, hoe een onbekende met hen optrok en hoe ze op een gegeven moment ontdekten dat het Jezus was. En als hij dan weer net zo plots verdwijnt als hij gekomen is, gaan ze meteen terug naar Jeruzalem om hun ervaring te delen met de andere discipelen.

Terwijl ze daar nog mee bezig zijn, verschijnt Jezus opnieuw. Er staat zo mooi dat hij ‘in hun midden komt staan’ – hij wordt deel van hun kring, en hij zegt: ‘Vrede zij met jullie’.

Die vrede kunnen ze goed gebruiken, want ze zijn achtereenvolgens verbijsterd, door angst overmand, ontzet en ten prooi aan twijfel. Ze zijn er van overtuigd dat ze een spook zien….!

Het komt misschien wat vreemd over dat de leerlingen niet meteen begrijpen dat het Jezus zelf is, die in hun midden staat. Ze hebben tenslotte al de verhalen gehoord van de vrouwen en van Petrus, die een leeg graf aantroffen. En daarna kwamen deze Emmausgangers, die vertelden dat zij Jezus hebben ontmoet. En toch, als Jezus zelf verschijnt, kunnen ze het niet geloven.

Maar eigenlijk herken ik daar wel wat in, in dat ongeloof. Ik zal u vertellen waarom.

Het is alweer een tijdje geleden dat mijn zus en zwager ons verblijdden met het nieuws dat zij een kindje verwachtten. Iedereen helemaal blij, van beide kanten het eerste kleinkind en voor ons het eerste ‘echte’ nichtje of neefje. Eind januari vorig jaar zou mijn zus moeten bevallen. De 26e januari gingen wij nog uitgebreid bij hen op de koffie, en om half 1 zwaaiden zij ons vrolijk en ontspannen uit. Er was nog niets aan de hand. Toen om half tien ’s avonds de telefoon ging en ik zag dat mijn zus het was, had ik niets in de gaten. Hoogstens dacht ik: ze is vast vergeten iets te zeggen of te vragen. Ik was helemaal met stomheid geslagen toen ze vertelde dat wij oom en tante waren geworden. Ze wist gelukkig nog net te vertellen dat het een meisje was, want ik zei alleen maar ‘he hoe kan dat nou’ en ‘ik kan het niet geloven’. Ik vergat helemaal haar te feliciteren en ik heb zelfs niet eens naar de naam gevraagd… gelukkig gingen we meteen op bezoek, zodat ik het nog goed kon maken…

Kortom: ik begrijp die discipelen wel. Je hebt al een tijdlang informatie gekregen over alles wat er zal gaan gebeuren, er zijn voortekenen, je praat er met elkaar over, maar toch, als het zover is, is alles anders en is alles nieuw. Je bent met stomheid geslagen en je denkt: ‘maar dat kan toch helemaal niet?’

Je bereid je voor, je hoopt dat het zo zal gaan als je je van tevoren bedenkt, maar als het dan zover is, is alles een verrassing.

En zoals wij meteen naar mijn zus gingen om te kijken of mijn nichtje Anna er wel echt was, zo moesten ook de discipelen controleren of Jezus het wel echt was. Jezus nodigt hen uit om hem aan te raken, om te kijken naar zijn handen en zijn voeten. En ook eet hij een stuk vis, om aan te tonen dat hij geen spookverschijning is, maar hun Heer zelf. Pas daarna konden ze het accepteren, en stonden de leerlingen open voor de nieuwe taak die Jezus hen oplegde.

Ik denk ook wel eens dat het zo ongeveer gaat als we nadenken over het leven na dit leven. Als geestelijk verzorger maak ik in een gesprek nog al eens mee dat dat onderwerp ter sprake komt. Ik spreek bewoners die absoluut zeker weten dat er niks is. Als je kaarsje uitgaat, is het over en uit. Maar ik spreek ook bewoners die er vast van overtuigd zijn dat zij zullen voortbestaan, en niet zelden weten zij ook precies hoe dat allemaal zal gaan gebeuren.

De getuigenissen in de Schrift zijn ongeveer net zo divers. Het Oude Testament is redelijk zwijgzaam over het leven na dit leven. In het Nieuwe Testament nemen de uitspraken daarover toe en natuurlijk hebben zij de opstanding van Christus als kern.

Jezus getuigde ook van een leven na dit leven, of: een leven naast dit leven. Als hij discussieert met de Sadduceeën die er van overtuigd zijn dat er geen leven na dit leven is, dan antwoord hij: u noemt God de God van Abraham, Izak en Jacob – God is een God van levenden, en niet van doden. En ook zegt hij in Johannes 14: In het huis van mijn Vader zijn veel kamers; zou ik anders gezegd hebben dat ik een plaats voor jullie gereed zal maken?

Maar wat op mij het meest indruk maakt, is de wijze waarop Jezus laat zien wat de kracht van liefde is. In Johannes 15 zegt Jezus: niemand heeft groter liefde dan die zijn leven geeft voor zijn vrienden. En Jezus gaf zijn leven voor zijn vrienden. Maar die liefde bleek zo groot, dat zij sterker was dan de dood, dat zij de dood overwon.

De kracht van liefde… al in ons gewone, menselijke leven zien we hoe sterk ze kan zijn en wat ze allemaal teweeg kan brengen. Waar de liefde regeert is het leven goed, en zou je willen dat het tot in eeuwigheid doorgaat…!

Hoe dat ‘leven tot in eeuwigheid’ uit zal zien? Ik weet het niet. En ik denk ook wel eens; zelfs als je het precies zou weten, dan nog zou je je er door laten verrassen, omdat het zo anders is dan dat, wat je je voor kunt stellen. We zien het aan de discipelen, die volledig verrast waren toen zij hun Heer weer zagen, en ik zag het aan mezelf bij de geboorte van Anna die volledig verwacht en aangekondigd was, maar me toch overviel.

Wat essentieel is, is niet de vraag hoe het precies zal gaan, maar de hoop die het geloof in een nieuwe toekomst ons geeft.

Ik zie die hoop terug bij de bewoners van ons verpleeghuis, die geloven: dit harde, keiharde leven vol lijden en verdriet, is niet het leven waartoe ik bestemd ben. Zij verlangen naar de dag waarop ze de liefde van God in alle volheid kunnen ervaren. En die hoop helpt hen om vol te houden, dag in, dag uit. Omdat zij een blik vooruit werpen op het goede wat komen gaat, ook al weet je niet precies hoe het allemaal zal gaan en zal zijn.

En zo waren de woorden van troost die Jezus tot zijn discipelen heeft gesproken, de hoopvolle woorden van de Schrift – ook bedoeld – ze wierpen een blik vooruit op het goede wat zou komen. En zo ging het ook met de voorbereiding op de geboorte van mijn nichtje Anna: je hebt goede hoop dat ze komt en dan ga je ook al bedenken hoe mooi dat zou kunnen zijn.

Als we nadenken over de opstanding, als we denken aan de vraag ‘wat betekent Pasen voor mijn dagelijks leven’ dan kan daar ook al een deel ‘voorgenieten’ bij zitten, om het maar zo te zeggen – al klinkt dat wat vreemd misschien in deze context. De hoop op het goede wat komen gaat, kan helpen de moeilijkheden van vandaag te doorstaan.

Toen Jezus aan zijn discipelen verscheen, toonde hij aan door het eten van een stuk vis, dat hij geen geest was, maar een lichaam had en aangeraakt kon worden. Hij was tastbaar, voelbaar aanwezig.

Toch zou ik zelf niet zomaar durven zeggen dat ook wij in ons lichaam zullen voortbestaan. In ons verpleeghuis wonen zoveel mensen die moe zijn van hun lijdende lichaam, hun lijdende geest. Een lichaam dat zo aangetast is, dat zij in alle eerlijkheid zeggen dat ze hopen dat het niet dat lichaam is, dat op zal staan.

Ik denk dan ook niet dat het het lichaam is waarop we ons moeten vastpinnen, als we nadenken over de opstanding van Christus. Het gaat niet zozeer om Jezus’ lichaam, maar om zijn essentie. En de essentie van Jezus is liefde, en dat is de reden dat hij naar zijn vrienden toekomt, aanraakbaar nabij, hen met veel geduld uitlegt wat er gaande is en wat er gaat komen. En dat is de reden dat hij hen zijn handen en voeten laat zien, met de kruiswonden daar nog in, want juist die kruiswonden getuigen van die liefde, de grootste liefde van Hem, die zijn leven heeft gegeven voor zijn vrienden.

Ik moet denken aan een van onze bewoners, een vrouw van 91 jaar, die al vijf jaar bij ons woont. Haar beide bovenbenen zijn geamputeerd. Haar kamer kijkt uit over de weilanden, waar de boeren ploegen en zaaien. En altijd weer ziet ze zichzelf, boerendochter en vrouw van een boer, fietsen, langs die weilanden, de zon op haar gezicht en de wind in haar haren. Dat is wie ze is, dat is haar essentie. En het is mijn hoop dat ik haar later langs zal zien rijden, met de zon op haar gezicht en de wind in haar haren. Samen met haar man en haar zoon, die ze beiden al zo vroeg moest missen.

En ik denk aan die vrouw van 89 jaar, die inmiddels ruim drie jaar bij ons woont. Dementie en een slechte fysieke conditie, maken dat zij het grootste deel van de dag op bed ligt. Haar man is al overleden, ze heeft geen kinderen, er komt amper bezoek. Wat zij wil, en waar ze altijd over spreekt, is varen. Weer op het binnenvaartschip de rivieren op. Haar essentie hangt samen met het water, met het schip en het vele werk dat dat met zich meebracht, maar waar zij altijd zo van genoot. In mijn voorstelling zie ik haar ooit terug met een schort om en een bezem in haar handen, waarmee ze een enorm dek schrobt, zielsgelukkig.

Opstanding uit de dood: is dat wel mogelijk? Jezus gaf zijn discipelen tijdens zijn leven vele aanwijzingen en hints, en toonde ook aan hoe het Oude Testament al vooruit wees naar het moment dat de liefde van God de dood zou overwinnen. En ook wij krijgen zo nu en dan aanwijzingen van de kracht van die liefde.

Ik weet niet hoe het precies zal gaan, maar ik heb geloof in de kracht van die liefde.

En dat geloof geeft me de hoop dat het leven niet definitief kapot gemaakt kan worden door de dood, en dat het niet ophoudt na dit leven. Het geeft me de hoop dat het lijden dat ik om me heen zie bij de bewoners van ons verpleeghuis, maar ook bij mensen in mijn naaste omgeving, mijn familie en vrienden, niet de erfenis is waarmee we het maar moeten stellen, maar dat er nog iets anders op ons wacht.

Tot slot

Ik las ook voor u een deel uit psalm 139. Een heel bekende psalm, een prachtig getuigenis van Gods nabijheid.

We lazen deze psalm ook een maand geleden, toen we een van de bewoners van ons huis moesten begraven. Deze vrouw had altijd hoop geput uit het licht van Pasen, hoe ziek ze ook was, en ze is lang, lang ziek geweest. En om zichzelf aan het licht van Pasen  te herinneren wilde ze in haar kleding iedere dag iets wits dragen. ‘Al was het maar een hemd’ vertelde haar dochter me. Als er maar een wit stukje in haar kleding was, dan was het goed. Zo werd ze iedere dag herinnerd aan het licht dat op haar wachtte.

De kerk waar de dienst werd gehouden, was, alhoewel het midden in de lijdenstijd was, in het wit aangekleed, en ik droeg, net als vandaag, mijn witte stola.

Wit als symbool van het licht van de God die ons liefheeft en die ons omringt.

Het licht van de God die zijn hand op ons en op onze geliefden gelegd heeft,

Die ons het ontzaglijke wonder van ons en van hun bestaan heeft geschonken.

Dit licht maakt dat we kunnen zeggen:

Ontwaak ik, dan ben ik nog bij u.

Amen

Ds. A. Roding