Pinksteren

Intro

In het land Narnia heerst de Witte Tovenares, is het altijd winter en wordt iedereen die haar tegenzit verandert in een standbeeld. Letterlijk versteend. Tot de leeuw Aslan komt, beeld van Jezus. Je kent het ondertussen, denk ik, ik haal de verhalen vaker aan. Misschien ken je de films of de boeken van de Kronieken van Narnia. De verbeeldingskracht van de schrijver, C.S. Lewis, is schitterend.

Nadat de leeuw Aslan door de witte tovenares is gedood, is alles stil gevallen. Het is nacht, en koud en zo verlaten. Tot de dag aanbreekt, en de zon opkomt, en Aslan ontwaakt uit zijn doodsslaap. Een van de eerste dingen die hij doet, is de plek opzoeken waar de versteenden zijn. Waar de standbeelden staan. Mensen en dieren, als in steen gegoten. En een voor een gaat Aslan bij ze staan, en blaast zijn adem over hen uit. Over een stenen leeuw, een muisje, een faun. Het is als op de eerste scheppingsdag, alles komt weer tot leven.

Alsof je een lucifer bij het haardvuur houdt. Eerst lijkt er niets te gebeuren, tot er langzaam een streepje warmte overslaat, en vuurtongen zich verspreiden over de oude kranten en het hout. Zo doortrekt de adem van Aslan mens en dier. Eerst een gouden streep die over de stenen rug heen loopt, en langzaam komt er nieuwe adem. En nieuw leven.
Zo blaast Jezus zijn adem, de Pinkstergeest, in ons.

De avond valt

In zekere zin vallen net als in Narnia, ook bij Johannes Pasen en Pinksteren op één dag. Valt heel het leven samen in Jezus Christus en zijn aanwezigheid.

Het is de eerste dag van de week. In de vroege ochtend was Maria naar het graf gegaan. Het graf is leeg, en in de tuin ontmoet zij haar Heer.

En nu is de avond gevallen. En al het licht van de opstandingsdag lijkt te doven, en moet opnieuw herwonnen worden. Het is niet meer zo nabij, niet meer zo zichtbaar als het was.

De gemeente is bij elkaar, een kring van 10 jonge mannen. Misschien was Maria er ook bij, en enkele andere vrouwen. De deuren zijn gesloten, ze staan met hun rug tegen de muur, zijn bang voor wat buiten is, voor wat hen bedreigt.

Soms heeft de kerk die tijd nodig. Die smalle ruimte, waar je stil kunt zijn, en wachten kunt. Als de dag achter je ligt, en de avond zich voor je uitstrekt. Als je geen woord meer uit te brengen weet. Het is de tijd waarin verlangen gewekt wordt, soms. Waarin je overvallen kunt worden ook, door de lege tijd, het vacuüm waar je in zit.

Soms ben je heel alleen in dat vacuüm, is er niemand bij je. En wou je dat het daglicht doorbrak.

……….

In die stille tussentijd, die hele dichte ruimte, waar niemand komen kan, daar komt Hij. Hij  die daar is waar 2 of 3 in zijn naam bijeen zijn. Midden tussen ons in, komt Jezus staan.
Met zijn gewonde handen, maar in een hernieuwd leven. Midden in de gemeente verschijnt Jezus.

Terwijl de dag verbleekt, en de angst je samenkit, de verwarring je lamgeslagen heeft. Terwijl de een bidt en wacht en vurig hoopt op de opgestane Heer, en de ander twijfelt en wegblijft, of stiller en stiller wordt, terwijl wij een voor een hier zijn of op afstand verbonden, is er niets dat de Heer tegenhoudt om midden onder ons te zijn.

En zoals het kruis hier in dit huis hangt, en ons iets van Christus doet zien, zo woont Hij midden onder is, hier in deze kerk, in de gemeente. En elke zondag opnieuw moet dat gezegd worden. Dat Pasen en Pinksteren samenvallen, en altijd weer opnieuw Jezus in ons midden komt.

Vrede zij u, zo komt Jezus ons tegemoet. Vrede zij met jou, en met jou, en met u en met jou. Omdat Jezus de Levende is. Daarom is er vrede. Die soms nog het meest zichtbaar wordt in de chaos. Dat er door dit hele menselijke leven, door de barsten in je bestaan, een vrede sijpelt die van Jezus gegeven is. En je er van overtuigt dat Pasen de werkelijkheid van je leven geworden is. Van elk mensenleven, van heel de schepping.

De adem van Jezus

Wij zijn uit stof aan het licht gekomen, zingt psalm 103. We leven slechts op de adem van zijn stem.

Zo blaast Jezus zijn levensadem over je uit, hij ademt als het ware de heilige Geest over je leven. En dat hele stoffelijke van je leven, waar de psalmdichter over schrijft, dat hele fragiele, wordt in een ander licht gebracht, in het licht van de heilige Geest, die de adem van God zelf is.

Dat het leven broos is, en sterfelijk, dat drukt soms zwaar op ons. We ervaren dat in ons midden heel sterk, deze weken, dit jaar. En altijd toch al, als je zelf merkt hoe breekbaar je gezondheid is, door ziekte, of ouderdom, hoe onverdraaglijk de dood is van een geliefde.

Soms moet je die tijd benutten, die stille, wachtende tijd, in de kerk, in jezelf. Om even een tijd te verwijlen, omgeven te worden door de presentie van de Opgestane Heer, en de ademtocht van de heilige Geest.

Omdat de geesten die niet van God zijn, je zo kunnen neerhalen, en al de adem uit je trekken, en je zo stoffelijk en nietig en zinloos doen voelen. Dat is een sterke macht die je zomaar in de greep krijgt. Je kunt er hevig door aangevochten worden. Ik merk het bij mijzelf, hoe bitter de barsten in het leven zijn, ik merk het soms aan jullie, in wat je deelt.

Jezus blaast zijn adem over je uit, zoals het water van de doop over je uitgegoten wordt, en het brood je lichaam doortrekt.

En terwijl je misschien uit alle macht jezelf overeind probeert te houden, of moeite moet doen om niet te verzanden in lethargie, lusteloos en moedeloos wordt, terwijl dat er misschien allemaal is in jezelf, is er toch ook steeds opnieuw die samenballing van Pasen en Pinksteren. De werkelijkheid van God waar wij zomaar in getrokken worden.

Als alles je ontbreekt, en je de stukjes van je leven bij elkaar probeert te rapen, dan stort Jezus met volle teugen zijn adem, zijn Geest in ons midden uit.

Soms heel zichtbaar, bijna tastbaar. Als je bij elkaar bent om samen te bidden, om gezegend en gezalfd te worden. Maar ook in dat tweegesprek, met je dochter, die vertelt hoe haar hart geopend is. In de stille straat waar je een pan eten brengt. In de eenzaamheid onderweg, waar een lied je zo diep raakt, en je merkt dat het Jezus zelf is die tot je komt, in die woorden, de klanken. In een feestelijke huwelijksdienst, waar geloof en hoop en liefde een sterke drieslag vormen.

Tot slot

Psalm 104 is het lied van de schepping. En het lied van Pinksteren. Het wordt vanouds gelezen bij de uitstorting van de Geest, bij Jezus die zijn adem in je blaast. Zo maakt Jezus je tot een nieuwe schepping.
Je kunt jezelf het leven niet geven, je kunt jezelf de adem niet geven. Het moet je gegeven worden, vanaf de eerste ademteug.

Jezus geeft het je, zijn eigen levensadem. Aan wie jong en oud is, aan wie moe of krachtig is. Jezus komt in ons midden en blaast over ons zijn adem. Ontvang de heilige Geest.
Het word je gegeven, zomaar in de avond, aan het einde van de dag, als de nacht dichtbij is. Nieuwe adem, de Geest van God in je binnenste.

De vrede van God zij met jou, met ons allen.
Amen.

Ds. Hanneke Ouwerkerk

Psalm 104, Johannes 20: 19-23
Pinksteren, 9 juni 2019