Rode Auto Annemarie Roding

Rode auto’s

Een tijdje geleden was er een reclame op de radio die ik nogal intrigerend vond.
Het was een commercial van een landelijke keten van opticiens,
en de reclame ging ongeveer als volgt:
‘Wist u dat één op de zeven weggebruikers eigenlijk een te slecht zicht heeft om de weg op te gaan? Eén op de zeven….. Dat is net zoveel als iedere rode auto die je onderweg ziet!’.

Nu verbaas ik mij inderdaad regelmatig over het rijgedrag van sommige medeweggebruikers. En ook zeg ik wel eens gekscherend, als ik weer eens iemand zie bumperkleven ‘ach…. Die is waarschijnlijk bijziend’, maar nu ik hoor dat één op de 7 automobilisten kennelijk ook echt slecht ziet, denk ik ‘het is nog waar ook!.
En iedere rode auto doet me daar weer aan denken. Steeds als ik een rode auto tegenkom stel ik me voor dat de bestuurder daarvan slecht ziet.

En nu maak ik me, sinds ik deze reclame heb gehoord, zorgen om twee dingen:

Ten eerste maak ik me zorgen om de mensen in de rode auto’s zelf.
Want anderen kunnen wel van hen zeggen dat hun zicht eigenlijk te slecht is om de weg op te gaan, maar zelf weten zij dat niet. Zij blijven denken dat zij het allemaal heel goed zien. Hoe gaan ze ontdekken dat ze eigenlijk een bril nodig hebben?

En mijn tweede zorg is dit…. Onze auto…. is ook rood.

Het gekke is, dat sinds ik deze reclame ken, ik ineens veel meer rode auto’s op de weg zie. U moet er ook maar eens op letten, het zijn er echt veel meer dan je aanvankelijk zou denken.

En als je daar dan eens naar staat te kijken, naar die passerende rode auto’s, dan zie je ineens in één ervan een groepje discipelen zitten.

Deze discipelen denken ook dat ze het allemaal heel goed zien, ze zijn er van overtuigd dat ze een goed zicht hebben op de werkelijkheid, dat ze geen bril nodig hebben.
Die werkelijkheid van de discipelen ziet er wel wat anders uit dan de onze. In hun werkelijkheid is het bijvoorbeeld zo, dat als je iemand ontmoet die al vanaf de geboorte een handicap heeft, dan gedacht wordt dat hij of zij dat heeft omdat zijn of haar ouders, of de persoon zelf, gezondigd heeft. Dat was in de tijd van de discipelen een heel bekend, een algemeen aanvaard idee.
En daarom is het voor hen helemaal niet vreemd om, als zij een blinde man zien zitten, aan Jezus te vragen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Komt dat door hemzelf of komt dat door zijn ouders?’.

De discipelen stellen deze vraag, omdat zij het zo zien. En zij zien het zo, omdat ze het altijd zo geleerd hebben. En als je iets altijd zo geleerd hebt, altijd zo gehoord hebt, is het ook moeilijk om de dingen anders te gaan bekijken.

Jezus gaat daar echter niet in mee. Hij probeert zijn discipelen een andere kijk te geven, een andere bril op te zetten. En dus antwoordt hij op de vraag naar wie er schuldig is: ‘Niemand’. ‘Niemand heeft hier gezondigd, niemand is schuldig aan de blindheid van deze man’.
Jezus zegt tegen zijn leerlingen: jullie hebben een bril nodig. Jullie moeten leren om anders te gaan kijken. We kijken niet naar iemands schuld, maar we kijken naar deze mens door Gods ogen. En dan zul je ook gaan zien dat Gods werk door hem zichtbaar zal worden.

—-

Er komt nog een rode auto voorbij.

En deze auto is vrijwel afgeladen met buren en mensen die de man kenden als bedelaar. Mensen die dachten dat ze de blinde man altijd goed hadden gezien. Mensen die dachten dat zij hem kenden. Maar als hij ineens een heldere blik heeft en ziende door het leven gaat, blijkt dat ze toch nooit helemaal goed gekeken hebben. En je ziet het voor je hoe ze elkaar aanstoten en fluisterend tegen elkaar zeggen: ‘Is dat niet de man die altijd zat te bedelen?’ En de een antwoordt: ‘Ja, die is het,’ en de ander: ‘Nee, maar hij lijkt er wel op.’

De mensen die de blinde dachten te kennen, die waarschijnlijk al zijn hele leven naast hem woonden, herkennen hem niet nu zijn ogen geopend zijn. Je vraagt je af: hebben ze dan eigenlijk ooit wel eens goed naar hem gekeken? Naar hoe zijn haar zit, welke kleding hij draagt?
Deze buren dachten dat ze het goed zagen, dat ze wisten naar wie ze keken als ze hun blinde buurman zagen bedelen aan de straat, maar eigenlijk zijn ze altijd met oogkleppen op aan hem voorbij gelopen. Ze dachten dat ze wel wisten wie daar zat, daar in het stof, maar hebben misschien nooit de tijd genomen om hem echt aan te kijken, en om hem te gaan zien naar wie hij is: een kind van God.

Misschien hebben ze meer over hem gepraat dan met hem gepraat.

Opnieuw komt er een rode auto voorbij.
Ik zei al: als je er eenmaal op gaat letten, zie je steeds meer rode auto’s, en het is hier in Johannes 9 een heel druk verkeer.

Nu zien we in die auto een aantal mannen zitten met speciale gewaden aan en hoofddeksels op. Het zijn de farizeeën. Eén van de groepen theologen van Israël.
Een groep die het altijd heel goed ziet, die een heel duidelijke visie heeft op wat de mensen in Israël vooral moeten doen en vooral moeten laten. Zij zijn de kenners van de Schrift, zij hebben er zicht op hoe je moet leven.

En daarom gaan de buren en bekenden ook naar hen toe, om hulp te zoeken bij het kijken. Zij slepen hun voormalig blinde buurman met zich mee en ze vragen de farizeeën: ‘Deze man, onze blinde buurman, kan weer zien. Maar het is nota bene sabbat! Hoe moeten we dit nou bekijken?’

En ook de farizeeën gaan de man ondervragen: hoe komt het dat je weer kunt zien?
En de man vertelt, zoals hij ook al aan zijn buren had verteld, wat er gebeurd is.

Dat de man kan zien, dat zien de farizeeën ook wel. Dus daar gaan ze niet op in. Maar toch klopt er voor hun gevoel iets niet. Want als deze genezing van God afkomstig zou zijn, dan zou deze zeker niet op hun heilige sabbat hebben plaatsgevonden. God houdt daar immers rekening mee?

Dan is er dus eigenlijk maar één oplossing: deze man is helemaal niet blind geweest! Er moet sprake zijn van een vergissing of van bedrog. Ze checken het voor de zekerheid nog even na bij de ouders. Maar die bevestigen dat dit werkelijk hun zoon is, en dat hij ook echt blind geboren is.
Dan nog maar eens de voormalige blinde ondervragen. Hij geeft eerlijk antwoord op hun vragen. Maar daar luisteren de farizeeën niet naar. ‘Je eert God niet!’ zeggen ze tegen hem. ‘Je mag dan wel genezen zijn van je blindheid, maar jouw genezing wordt door ons niet goedgekeurd! En jij? Wij keuren jou ook niet goed!
En de farizeeën jagen de voormalige blinde weg. Ze zagen hem niet en ze willen hem niet zien.

Wat schept het toch kloven tussen mensen als je zo overtuigd bent van je eigen gelijk. En helemaal als je dat eigen gelijk ook nog eens goddelijk sanctioneert. Dan vallen er wel heel veel mensen buiten de boot. Mensen die niet in jouw visie passen en die dan per definitie zondig uitschot zijn.

—-

Opnieuw zien we een rode auto. Er zit maar één iemand in, een man.

Hij heeft nog maar net zijn rijbewijs, want hij was vanaf zijn geboorte blind en het duurde daarom even voor hij af kon rijden.
Hij kreeg een nieuwe bril, deze man. Een hele rare. Een bril van speeksel en aarde, een bril van modder, en toen hij die ophad en zich ging wassen, kon hij ineens, voor het eerst van zijn leven, zien.
Toch ziet hij het ook niet zo heel scherp, althans, tot bijna aan het einde van het verhaal niet.

Ja, ineens kan hij zien, maar voor zover hij weet heeft hij daar zelf niet om gevraagd. Ineens was daar een groepje mensen dat over hem stond te praten, en ineens smeerde iemand iets op zijn ogen, en zei hem zich te gaan wassen bij Siloam. En toen hij dat had gedaan, zag hij ineens hoe Siloam er eigenlijk uit zag.

Daarna werd hij van hot naar her gesleept. Eerst waren het zijn buren, waarvan sommigen niet wilden geloven dat hij het echt was. En toen moest hij meekomen naar de farizeeën om daar zijn verhaal nog eens te doen – Maar ook zij zagen niet wie hij was.

Maar weet je, dat vond de voormalige blinde man nog niet eens zo erg, dat ze niet zagen wie hij was. Maar dat hij Jezus niet meer had gezien, die hem nota bene genezen had, dat zat hem dwars. En hoe moest hij over hem denken, hoe moest hij hem zien? Die man, die Jezus, bij wie hij geen beeld heeft, moet toch wel een profeet zijn, en dat zegt hij dan ook tegen de farizeeën.

En ook als diezelfde farizeeën bijna ontploffen van nijd, dan nog is de voormalige blinde ervan overtuigd dat de man die hem beter heeft gemaakt, de man die hem heeft gezien, een man van God moet zijn. En hij, de man uit de goot, de bedelaar, weerspreekt de wetgeleerden van zijn tijd. Hij ziet het anders. Hij ziet het, hij ziet Jezus, nog voordat hij hem echt heeft gezien.

Hoe meer hij er over denkt, hoe beter zijn zicht wordt. Tot hij op een bepaald moment zeker weet dat hij goed kijkt, als Jezus hem voor de tweede keer opzoekt en zich bekend maakt. Geloof je in de mensenzoon? Vraagt Jezus aan hem. ‘Als ik wist wie het was, heer, zou ik in hem geloven,’ antwoordt de voormalige blinde dan. En Jezus zegt: ‘U kijkt naar hem en u spreekt met hem,’ Oftewel: Ik heb jou gezien, en jij ziet mij nu ook. Toen zei de man: ‘Ik geloof, Heer,’ en hij boog zich voor Jezus neer.

Ik zei al aan het begin van de preek dat wij zelf ook een rode auto hebben.
En ik weet vanuit de reacties op facebook van afgelopen week, dat wij daarin niet de enige Hoeksteners zijn.
Maar…. ik denk maar zo dat iedereen bij tijd en wijle in een rode auto rondrijdt. Misschien achter het stuur, misschien ook op de bijrijdersstoel of de achterbank.

Want allemaal denken we wel eens dat we iets heel goed zien.

We hebben dan een beeld van iemand, die we heel goed denken te kennen. Een beeld wat zo solide is, dat we niet meer in staat zijn om iemand op een andere manier te zien, te zien zoals hij of zij werkelijk is.

Of we hebben een mening, omdat we dat nu eenmaal altijd zo geleerd hebben.

Of we hebben een heel vaste overtuiging, die we ook nog eens religieus kunnen onderbouwen, een mening die anderen buitensluit en veroordeelt….

Maar het zou maar zo kunnen zijn dat we het niet goed zien.
Hoe we daar achter komen?

Daarvoor moet eerst iemand ons aankijken. Jezus.
Niet de meest logische persoon, overigens. In het hoofdstuk voorafgaand aan onze lezing, werd hij bijna gestenigd. U moet het thuis maar eens nalezen. Jezus ontkomt weliswaar, maar eigenlijk is hij hier, in onze tekst, in hoofdstuk 9, al ten dode opgeschreven. En deze persoon, iemand die eigenlijk uit de samenleving verwijderd zou moeten worden, laat een ander zien?

Ja. Iemand die aan de rand staat, die eigenlijk, om het wat oneerbiedig te zeggen, door veel mensen al bij de oude kranten is gezet, die ziet vanuit die rand extra goed hoe het er met de mensen voorstaat die daar door de samenleving krioelen en denken alles zo goed te zien.

Hij, daar aan die rand, hij kijkt u, kijkt jou aan.
Hij ziet wat u, wat jij nodig hebt om te kunnen zien.
Hij, de ten dode opgeschrevene, ziet jouw ware gezicht.
Hij, door velen al aan de kant gezet, ziet je. Hij maakt onze ogen open, maakt onze blik los van dat wat ons verblindde, en richt die blik op hem, richt die blik op God.

Wat dat betekent, dat Jezus ons aanziet….? In ieder geval betekent het dat je daardoor een andere blik krijgt op de werkelijkheid. Een blik die zich meer en meer ontwikkelt.
Net zoals dat bij de blinde man uit het verhaal gebeurde: hij wordt gezien en gaat daardoor zien.

Door die nieuwe blik zullen we beter gaan zien waar we heen moeten,
We zullen gaan zien hoe mooi en waardevol de mensen om ons heen zijn
We zullen gaan zien hoe weinig we zelf al die tijd hebben gezien,
We zullen er zelf mooier van worden, milder, liefdevoller,

En we worden een zegen voor onze medeweggebruikers,

Amen.
P.G. De Hoeksteen
26 maart 2017
ds. Annemarie Roding