De rouwklacht keert om tot een vreugdedans

Er zijn heel wat tranen gevloeid deze week. Het ongeloof en de ontzetting om een totaal onverwachte uitslag van de Amerikaanse verkiezingen, bracht mensen tot diep verdriet. Anderen hadden tranen van blijdschap. Maar al die mannen en vrouwen, vele studenten, donkere Amerikanen, kwetsbare vrouwen, die hoopten op een voortzetting van Obama’s beleid, treurden en treuren nog steeds.

De precisie waarmee Clinton in het oog werd gehouden toen ze haar verliezerstoespraak hield, deed niemand ontgaan hoeveel moeite ze had om er tranen binnen te houden, haar emoties te beheersen.
Verdrietige, treurende mensen. Niet om zichzelf, ook wel misschien, maar vooral om hun land, om Amerika, om wat komen gaat.

Vanmorgen zien we een huilende Jozef. Hij kan zich niet goed houden en wordt overmand door verdriet. Niet om zichzelf. Maar vanwege zijn broers. Zijn familie, zijn vader. Hij huilt om hen. Iedereen is weggestuurd uit de zaal, Jozef is samen met zijn broers. Maar elk mens, in het paleis, op de straten, hoort zijn hartstochtelijk gehuil.. Tot in de verre omtrek horen Egyptenaren hoe hun onderkoning huilt. Ik stel mij zo voor dat men even inhoudt, stil staat, zijn hoofd ophoudt om te horen waar het geluid vandaan komt. Het is Jozef…

Jozef huilt om zijn broers

Door de hele geschiedenis van Jozef heen lopen lijnen van het Paasevangelie. En vanmorgen, als Jozef zich bekend maakt aan zijn broers, klinkt luid en helder: Ik ben het, Jozef! Ik ben niet dood, ik leef!

Wat altijd gedacht werd, 22 lange jaren, blijkt niet waar te zijn. Die lange jaren blijken een andere lading te hebben, dan de broers hun leven lang dachten. Jozef leeft! En terwijl Jozef door emoties wordt overvallen, deinzen de broers achteruit. Het is ontregelend, verwarrend, angstig ook vooral. Worden ze zich ineens bewust van hun schuld? Van de mogelijke wraak van Jozef? Ze bevinden zich in het hol van de leeuw. Sprakeloos zijn ze, niet bij machte iets te zeggen.

Zoals de vrouwen terugdeinzen voor het lege graf, Marcus 16. Angst en ontzetting overvalt hen. Jezus leeft? Het is te groot, te veel. Ze raken bevangen door angst, en vluchten weg.

Maar juist op dit punt, de bange broers, die vrezen voor de wraak van Jozef, juist hier wordt zichtbaar hoe God doorwerkt in het concrete leven. Hier, aan het hof, waar broeders elkaar ontmoeten, en er zoveel tussen hen in staat, wordt het evangelie werkelijkheid. God werkt door Jozef heen, ten gunste van een heel gezin, een familie, van een heel volk. Tot aan Egypte aan toe.

Het evangeliewoord wordt werkelijkheid in Jozefs leven. Het incarneert, wordt vlees en bloed, in zijn doen en laten. Zo vernieuwt God een mensenleven, je hart en je gedachten, zodat je anders leert kijken en denken, anders leert leven.

Zoals Christus is, zo doet Jozef. Hij doorbreekt de cirkel van geweld en van haat. Van wraak en vijandschap. Hij had op eenzelfde manier kunnen handelen als zijn broers. Maar hij doet het niet. Hij gaat niet mee in hun schuld en in hun woede. Omdat God hem genadig is geweest. En zijn hart is mild geworden, en ruim. Zoals God ruimhartige en genadig is. En Jozef heeft het van hem geleerd.

Hij is een bewogen mens geworden. Een mens die kan huilen. Niet alleen om zichzelf. Maar om een ander. Om zijn broers, zijn vijanden die hem naar het leven stonden.

De man die we omringen, die niemand durft te naderen
huilt gewoon, en verbergt dat niet, hij huilt,
niet als een kind, niet als de wind: als een man,
zonder misbaar, zonder zich voor de borst te slaan, en snikt
niet eens bijzonder luid, maar de waardigheid van zijn tranen

bant ons uit zijn ruimte, de holte die hij om zich schept
in het middaglicht, in zijn pentagram van verdriet,
en van achter in de menigte staren de uniformen hem aan
die hem wilden arresteren, en nu tot hun verbijstering merken
hoe iets in hen naar tranen verlangt, zoals kinderen naar een regenboog.
(Les Murray, fragment uit ‘An absolutely ordinary rainbow’, in vertaling: ’Een doodgewone regenboog’)

Les Murray dichtte over Jozef een lang en intens gedicht getiteld, in vertaling, ‘Een doodgewone regenboog’.

Jozefs tranen brengen anderen in beroering. Het roept zelfs verlangen op, naar tranen, naar samen huilen.
God wordt Jozef te sterk
Logisch zou het geweest zijn, als Jozef zijn macht had aangewend om zijn broers een les te leren. Hen te laten voelen hoe de lange jaren in de gevangenis hem moedeloos en somber maakten. Hoe verschrikkelijk hij zijn vader miste, zijn broertje Benjamin. Hoe alleen het is in een vreemd land, een andere cultuur.

Is Jozef het allemaal vergeten? Ik weet het niet, ik denk het niet. Maar hij laat zich er niet meer door leiden. Jozef leert verder kijken dan zijn eigen leven, zijn eigen boosheid en woede. Hij leert verder kijken, tot op God. En heeft een andere lijn in zijn leven opgemerkt. De hand van God. Gaandeweg die 22 jaar heeft hij iets anders opgemerkt. Hoe God bezig is in zijn leven, in het volk. En als de dingen zo worden geduid, tot op God, dan krijgt alles een andere betekenis.

Niet dat je er dan luchtig over gaat doen. Wie uit een gebroken gezin komt, met verstoorde familierelaties kampt of in een ander verband weet heeft van hoe verstoord verhoudingen kunnen zijn, die weet wel dat je er nooit luchtig over kunt doen. En dat de pijn ergens misschien altijd wel blijft.

En dan, als je God gewaar wordt in dat alles, als God daarin verschijnt, krijg je ook een ander zicht op dingen. Soms pas na 22 jaar, of langer. Soms al veel eerder. Jozef heeft opgemerkt hoe God zijn eigen weg is gegaan, door het menselijk handelen heen. Door die schuldige daad van de broers, door Potifar heen, en door de Farao heen.

De broers, zij verstijven van schrik nu Jozef in levende lijve voor hen staat. Als een zwaard hangt hun schuld boven hen. Wat gaat er nu gebeuren?
Maar Jozef neemt heel het verleden op in de weg die God met zijn mensen gaat. Hij is er anders naar gaan kijken. Niet júllie hebben mij weggezonden, zegt hij. Het is God zelf die in zijn wonderlijke wijsheid mij heeft weggestuurd. Om hier in Egypte terecht te komen. Om jullie in het leven te behouden. En nu, de hongersnood is op zijn hevigst, kan Jozef zijn broers voorzien van voldoende brood. God heeft mij voor jullie uit gezonden, om een heel volk in het leven te behouden.

Zie je hoe wijds en groots Jozef is gaan denken? Niet om zichzelf denkt hij, en zijn eigen eer en herstel, maar om zijn broers, zijn eigen volk. Omwille van hen is hij deze lange weg gegaan.

Wij kennen vaak zo vreselijk veel gewicht toe aan onze keuzes, aan ons handelen. Ik merk het aan mijzelf tenminste. Wikken en wegen om de juiste keuzes te maken, overdenken en bidden of God wijsheid geeft, welke weg moet ik gaan, wat is goed om te doen? Dat is ook goed, begrijp me niet verkeerd. Maar het is niet het enige. In hoeverre reken je dan met God en zijn wegen?

Vandaag laat de Schrift ons zien: God is het die zijn wegen gaat en zijn plannen volvoert. In de schaduw van zijn wijsheid, van zijn verborgenheid. Wij zien dat niet, begrijpen dat vaak ook niet. Maar door alles heen schrijft God zijn eigen wegen. En neemt ons handelen daarin op, om het om te vormen tot wat goed is. Tot wat leven brengt.

Daar heeft Jozef zicht op gekregen. Een ware bekering, kun je wel zeggen. Hij is vernieuwt tot een mens die van God weet, en zich voegt naar Zijn weg. Vanuit God gezien is alles anders geworden, het verleden, het heden en de toekomst.

De broers deinzen achteruit, maar Jozef zegt: wees niet bang, kom dichterbij. In zijn bewogenheid ontstaat er een nieuwe ruimte. Van liefde tegen de haat. Van verzoening tegen de afstand en verdeeldheid. Als je het hebt meegemaakt, dan ken je de impact, de grootsheid daarvan. Als je uit de cirkel stapt van afkeer en van boosheid, hoe zich iets nieuws kan openen. Genade heb je nodig, om zo’n mild hart als Jozef te ontvangen. En niet te handelen zoals je zou willen, maar te doen wat God in zijn genade je ingeeft.

En Murray dicht:

(…) De stoerste macho,
de koelste kikker, de meest gevatte grapjas onder ons

zwijgt huiverend en wordt verteerd door een onverhoeds
vreedzaam oordeel. Sommigen in de menigte die meenden
gelukkig te zijn beginnen te schreeuwen. Alleen de kleinste kinderen
en die toekijken uit het paradijs komen dichterbij
en gaan aan zijn voeten zitten, samen met honden en stoffige duiven.

Belachelijk toch, zegt iemand naast me, en slaat zijn hand
voor zijn mond, alsof hij die woorden had uitgebraakt
en ik zie een vrouw die haar handen uitstrekt, stralend
en bevend, terwijl ze de gave der tranen ontvangt;
en alle anderen die haar volgen ontvangen de gave
en veel mensen huilen van pure aanvaarding, (…)
(Les Murray, fragment uit ‘An absolutely ordinary rainbow’, in vertaling: ’Een doodgewone regenboog’)

De gave der tranen ontvangen. Een bewogen mens te kunnen zijn.

In zijn wijze toespraak na de overwinning van Trump, sprak een aangeslagen Obama moedige woorden. Hij sprak het volk toe en in het bijzonder jonge mensen die voor het eerst politiek actief waren. Word niet cynisch, zei hij. Zoek de eenheid en de vrede, want in de eerste plaats zijn we Amerikanen, en niet Republikein of Democraat.

Niet cynisch worden. Een terechte opmerking. Want dat gevaar is er wel degelijk.
Wij vrezen toch dat het heden een herhaling is van het verleden. De toekomst een herhaling van het heden. Er is niets nieuws onder de zon, mensen gaan en mensen komen, de kloof tussen arm en rijk, blank en zwart, blijft nog altijd bestaan. Met de uitkomst van de verkiezingen zien veel mensen dit bevestigd.

Op catechisatie spraken we er ook over met elkaar. Waar vrees je voor, waar kun je angstig van worden, vroeg ik jullie. De uitslag was toen nog niet bekend, maar deze uitkomst werd wel gevreesd. Bezorgd zijn jullie soms, over de toekomst, over vrede die onder druk staat, de dreiging vanaf zoveel plekken. Het raakt mij om dat van jullie te horen, misschien omdat ik het ergens ook wel herken.

En dan vandaag deze geschiedenis. Van een huilende Jozef, die zichtbaar maakt hoe God door al ons doen en laten heen, een nieuwe weg baant. Vaak zie je dat niet, soms licht er ineens iets van op. Jozef vertelt het ons, met tranen in zijn ogen. Hier wordt zichtbaar: God maakt alle dingen nieuw.

Wat we zien was dit: Een treurende vader om zijn verloren zoon. Schuldige broers om hun afgunst en nijd. Een eenzame Jozef die zijn familie wilde vergeten. En God in zijn genade, weeft door al die dingen heen zijn eigen weg. Jozefs hart wordt geraakt, vernieuwd, verruimd. En heel de geschiedenis wordt omgekeerd.

De rouwklacht keert om tot een vreugdedans. Tranen stromen en broers omhelzen elkaar.  Als Jozef hen kust en omhelst, en zijn tranen de vrije loop laat,  pas dan kunnen de broers weer spreken.

Tot slot

Wat gebroken en gescheurd is, los je niet op met een opdracht van hogerhand. Maar vanuit de innerlijke ontferming die Jozef bewoog, breekt het verleden open. Jozef maakt zichtbaar hoe Christus tot in het diepst van zijn ziel bewogen is om ons. Hoe Jezus huilt om zijn stad, om zijn mensen die zijn als schapen zonder herder. Dwalend en zoekend. Hij huilt om hen, niet om zichzelf.

Het is door Gods genade als wij zo bewogen mensen zijn. Aangeraakt door de ontferming die Christus ons schonk, vernieuwd door zijn genade. Het maakt je leven anders, nieuw. Niet zomaar, het vraagt tijd, soms 22 jaar of langer. God zelf moet ons leren waar wij Hem aantreffen, hoe Hij werkt en handelt.

Maar zo te leven, dat het de ruimhartigheid van God is, die ons leven bepaalt. Opdat we kwaad met goed vergelden, haat beantwoorden met liefde en gebrokenheid met heelheid.

In de naam van Jezus Christus,

Amen.

Zondag 13 november 2016, 10.00 uur
Genesis 45: 1-15
Ds. Hanneke Ouwerkerk
Een doodgewone regenboog

Het bericht gaat rond bij Repin’s,
het gemompel doet de ronde in Lorenzini’s,
in Tattersals kijken mannen op van hun cijferkolommen,
de klerken van de Beurs vergeten het krijtje in hun handen
en mannen met brood in hun jaszak verlaten de Greek Club:
er staat een vent te janken op Martin Place.
Ze kunnen hem niet tot bedaren brengen.

De kilometerslange files in George Street staan muurvast,
onwrikbaar. De menigte gonst van de opwinding
en nieuwe drommen stromen toe. Veel mensen rennen zijstraten in
die pas nog drukke hoofdstraten waren, en wijzen:
er staat daar iemand onbedaarlijk te janken.

De man die we omringen, die niemand durft te naderen
huilt gewoon, en verbergt dat niet, hij huilt,
niet als een kind, niet als de wind: als een man,
zonder misbaar, zonder zich voor de borst te slaan, en snikt
niet eens bijzonder luid, maar de waardigheid van zijn tranen

bant ons uit zijn ruimte, de holte die hij om zich schept
in het middaglicht, in zijn pentagram van verdriet,
en van achter in de menigte staren de uniformen hem aan
die hem wilden arresteren, en nu tot hun verbijstering merken
hoe iets in hen naar tranen verlangt, zoals kinderen naar een regenboog.

Over een paar jaar zullen sommigen zeggen dat hij was omgeven
door een halo, of een ring van kracht. Maar dat is kletskoek.
En sommigen, dat ze waren geschokt en wilden dat hij ophield,
maar die zijn er dus niet bij geweest. De stoerste macho,
de koelste kikker, de meest gevatte grapjas onder ons
zwijgt huiverend en wordt verteerd door een onverhoeds
vreedzaam oordeel. Sommigen in de menigte die meenden
gelukkig te zijn beginnen te schreeuwen. Alleen de kleinste kinderen
en die toekijken uit het paradijs komen dichterbij
en gaan aan zijn voeten zitten, samen met honden en stoffige duiven.

Belachelijk toch, zegt iemand naast me, en slaat zijn hand
voor zijn mond, alsof hij die woorden had uitgebraakt
en ik zie een vrouw die haar handen uitstrekt, stralend
en bevend, terwijl ze de gave der tranen ontvangt;
en alle anderen die haar volgen ontvangen de gave

en veel mensen huilen van pure aanvaarding, en er zijn er meer
die weigeren te huilen, uit angst voor welke aanvaarding dan ook,
maar de huilende man heeft niets nodig, zomin als de aarde,
de man die huilt negeert ons, en uit zijn verwrongen gezicht
en zijn gewone lichaam snikt hij geen woorden

maar pijn, geen boodschap, maar enkel verdriet,
hard als de aarde, doorzichtig, aanwezig als de zee
en wanneer hij ophoudt, stapt hij doodgewoon tussen ons door
veegt zijn gezicht af met de waardigheid van iemand
die heeft gehuild, en nu klaar is met huilen.

Gelovigen ontwijkend beent hij haastig weg door Pitt Street.

Les Murray