startzondag 16 september 2018

Sprakeloosheid

In de 9 uur durende documentaire Shoah, fragmenten uit de film zijn op youtube te zien, vertelt een van de overlevenden van de holocaust, een kapper, zijn verhaal aan de interviewer, de Franse filosoof Claude Lanzmann. De kapper, Bomba, is als de film wordt opgenomen kapper in Tel Aviv en wordt geïnterviewd terwijl hij klanten knipt. Hij vertelt hoe hij werkzaam was in het kamp, waar hij de haren knipte van de meisjes en vrouwen die de gaskamers ingingen. Hij vertelt hoe hij steeds opnieuw bekenden zag aankomen. Buurmeisjes, vrouwen uit het dorp, de zus van een goede vriend.

Bomba, de kapper, wist wat er gebeuren ging. Hij wist van de dood. Maar zij die aankwamen wisten dat nog niet. Op vrij luide toon vertelt hij hierover aan de interviewer. Bijna alsof hij een telegram voorleest, je merkt hoe hij een vorm gevonden heeft om te spreken over wat bijna niet te vertellen valt.

Tot hij stokt. En stilvalt. En geen woord meer weet uit te brengen. Het blijft stil. Zijn gezicht vertrekt, het zweet loopt over zijn gezicht. Hij loopt heen en weer, heen en weer. En heel zijn wezen drukt pijn uit, een pijn die bijna zichtbaar, bijna tastbaar is. Lanzmann dringt aan, toe Bomba, je moet dit vertellen, de wereld moet weten wat er gebeurd is. Maar hij kan niet meer spreken. En je voelt hoe hij weer terug is in het kamp, op die plek waar alle meisjes en vrouwen hun haar verloren, en niet veel later ook hun leven.

Dan fluistert hij in het Jiddisch, de taal van zijn ziel, een paar woorden. Over al die hoofdharen, die verzameld werden, en naar Duitsland gingen. En hij zwijgt weer. En na lange minuten zwijgen herneemt hij zich, en pakt met luide stem zijn verhaal weer op en vertelt verder, als las hij voor uit een onwaarschijnlijk boek. Maar het is de werkelijkheid. Hij was erbij.

Sprakeloosheid

De sprakeloosheid, om wat te groot is, waar geen taal, geen woord meer toereikend is.

Ik werd mij daardoor ook zo bewust van de bulk aan woorden die er is. Het praten-praten-praten dat er uit gutst. Onwaarheid, koude, harde woorden. Over nieuwe slaven, zoals de vice-premier in Italie de migranten noemt. Of de hoeveelheid aan leugens die één mens per dag uitkraamt. Het maakt mij ook argwanend. In woorden kun je je ook verbergen, het kan een vermomming zijn. Mooie woorden, maar daaronder ligt iets scherps, iets onwaarachtigs. Alsof je bedekt dat je eigenlijk niet weet wat je zeggen moet.

Je herinnert je misschien ook wel zo’n moment, waarop je iets zei, en met dat je het zei werd je bijna rood, van schaamte, omdat je wist dat het holle woorden waren, maar je had niets anders te zeggen. Of dat je in gesprek bent, en in het gelaat van je vriend, van je moeder, van je broertje, zie je iets, dat je alle moed ontneemt om te spreken. En je bent stil, je slaat je hand voor je mond, en je zwijgt.

Ze zullen mij niet geloven, zegt Mozes, als God hem uitzendt om zijn volk in vrijheid te brengen. Ze zullen naar mij niet luisteren. Ze zullen zeggen: nooit heb je Hem gezien, die God die Ik zal er zijn, wordt genoemd.

Het is een diepgeworteld wantrouwen tegen God, denk ik. En ik vermoed, op de een of andere manier, dat het Mozes’ eigen vraag is. Zijn eigen wantrouwen. Is God er wel? Is Hij wel die ‘Ik zal er zijn’?

Het ‘Hier ben ik’ van Mozes, waarmee hij antwoord op de roep van God, is een heel kwetsbaar ‘ik’. Een onzeker ik, en bang.
Ze zullen zeggen, heb jij die God ooit gezien, de God die er zijn al?

Die vraag, juist die vraag naar God, en de aanvechting, dat kan je verlammen. Dat je zondag uit de kerk komt en je voelt aan je zus, of aan je kind, of je partner, die onuitgesproken vraag. En misschien spreek je er nooit meer over met elkaar, maar je voelt die onuitgesproken vragen wel. En soms merk je ineens, dat het je eigen vraag geworden is. Wie heeft ooit God gezien? Hoe weet ik dat wat het Woord waar is? Waar wordt het werkelijk? Dat is verlammend, en sleurt je zomaar mee in een vertwijfeling en een ongeloof waar je van schrikt.

Ergens onder die vraag ligt de kernvraag: vertrouw ik op God, of niet? Is het waar, dat Hij de levende is, of niet? En in plaats van dat je die vragen wegduwt, en er luchtig of lacherig over doet, moet je ze misschien wel onder ogen zien. En bij God brengen, zoals Mozes het uitspreekt voor het aangezicht van de Heer.

Opdat ze zullen gaan vertrouwen, zegt God, daarom zend ik jou. Opdat er vertrouwen zal groeien. En als ze naar Mozes niet horen, dan zullen de wondertekens een zaadje van geloof planten. Een vonk van vertrouwen.

Geen man van woorden

Maar het overtuigt Mozes niet. De staf en de slang. Het water en het bloed. Hij wil onder zijn roeping uit. En neemt de vrijheid om het terug te leggen bij God. Ik ben geen man van woorden. Ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong. Kies iemand anders om het volk te leiden.

Van Mozes wordt wel gezegd dat hij stotterde. Ik weet niet of dat zo is, het zou zeker zou kunnen zijn. Want dat hij geroepen is om te spreken, is een voortdurende strijd die hij moet aangaan. Om woorden te vinden, en uit te spreken, en vertrouwen te wekken. Vaak gaat het moeizaam, en aarzelend, en struikelend.
Als je zelf de moeite kent van stotteren, dan weet je er wel iets van denk ik. Dat je bang geworden bent, om te spreken. Dat je tong als een vreemd ding in je mond ligt, zwaar en onwillig.

Realiseer je je weleens wat het betekent om zo moeizaam te spreken? Of, als je ouder wordt, of ziek, je spraak soms zo stokt, en de woorden zich maar langzaam vormen in je hoofd, en in je mond. Als meel, als as in je mond, liggen de woorden daar.
De staf wordt een slang en de slang een staf. Het water wordt bloed en het bloed wordt water. Maar Mozes’ mond wordt niet licht, hij krijgt geen soepele spraak, geen makkelijke prater wordt hij.

Is dit hoe God van zich laat horen? Door een stotterende, bange man? Is dit hoe God spreekt, struikelend en stil, moeizaam en soms amper verstaanbaar?
Het woord van de Heer, dat Hij een bevrijder is, is een woord dat uit de diepte komt. Alsof het uit de schacht van een waterput omhoog getrokken moet worden, om aan het licht te komen, en uitgesproken te zijn, en gehoord te worden.

Zo komt het woord van de Heer tot ons. Het daalt af in het midden van de gemeente, God woont onder ons, juist door zijn Woord. Zo daalt God af, en komt in ons wonen. En ergens in ons, ergens in jou gaat het werken, en wonen, komt het tot leven. Het gaat de diepte in. En doet het iets.
Het roept een vraag wakker.
Het breekt iets af, wat onrein en onheilig is.
Het raakt iets aan, het brengt licht.
Het is God zelf, die in je wonen komt.

God in jou laten spreken

Ik ben geen man van woorden, zegt Mozes.
Maar de Heer zegt: Ga. Ik leg mijn woorden in je mond.

Gods woorden dalen af tot in de diepte van je leven. En uit die diepte klimt het ook omhoog, dat woord. Zoals het licht geroepen werd, uit de woeste leegheid van de aarde. Zo roept God een mens, uit de lege, donkere stilte. En in die leegte plant Hij zijn woord, plant Hij zichzelf. Als een bron van leven.
Ik leg mijn woorden in je mond.

In die stilte, die tijd van vragen en van wachten, leer in die stilte te luisteren naar de Heer. Dat je als het ware naar binnen keert, in je ziel. En daar verstilt, en de woorden van de Heer proeft, en hoort, en overweegt. Luister naar de Heer.

Niet gelijk praten, of uitleggen, of antwoorden. Maar luisteren naar wat de Heer te zeggen heeft. Hier, in de ruimte van de kerk. Of thuis, in de stille ochtend als je een stuk uit de Bijbel leest. Of een lied hoort. Of het Onze Vader bidt voordat je slapen gaat. Luisteren naar wat de Heer zegt. In de psalmen. In het evangelie. In de ontmoeting van een mens die op je pad komt.

Want God legt woorden in jouw hart, en in je mond. En om die woorden te horen, moet je leren om stil te zijn. Om te luisteren. Dat is geen geringe opgave. Nu niet, en nooit geweest. Luisteren is niet gemakkelijk. Naar God, naar elkaar. We dragen vaak zoveel stemmen in ons om. Soms, als je krachtig bent, heb je geleerd hoe je die andere stemmen tot stil zijn brengt. Heb je een soort innerlijke vrede ontvangen, en kun je de stem van de Heer goed verstaan.

Vaker is het onrustig in ons. Klinken de stemmen luid, hoor je de harde stem van je moeder, of de genadeloze stem van je eigen ik. De lokkende stem van de overvloed, de vleiende stem van de zonde.

Hier in dit huis leren wij om daar door heen de stem van de Heer te verstaan. En Hij zegt: Ik zal door jou heen spreken. God geeft ons woorden in de mond. En al die andere woorden die we in ons hoofd hebben, en die aan ons hart trekken en ons moe en angstig maken, over al die woorden heen legt God zijn eigen woord. En Hij leert je te luisteren, wij leren elkaar te luisteren. En zo kan God door jou heen spreken. Het is de oefening voor Mozes die wij vandaag na oefenen. God in jou laten spreken.

In mij? Met mijn simpele verstand en mijn kleine woordenschat. Met mijn grote mond maar mijn onzekere hart. God door mij laten spreken? Hij geeft je de woorden in je mond. En als je leert om te luisteren, en de woorden in je om te dragen, dan zal de Heer door jou heen spreken.

Je merkt dat misschien ook, als je in gesprek bent met elkaar. Dan merk je of een woord waarachtig is, of dat het een verhulling is. Of het uit de diepte van je hart komt, of een cliché is, waarvan je zelf niet weet of het werkelijk is.

Maar wat zal Hij dan spreken? Wat moet ik zeggen? Wat is dat, het Woord van de Heer? Voor Mozes is het een woord van bevrijding. God opent een ruimte waar vrijheid is om te bestaan, waar leven is, met God. In dat spoor zullen ook wij spreken. In elke tijd weer met andere woorden, misschien, en met andere beelden. Maar het hart ligt in de vrijheid. Wij zijn geen slaven, maar kinderen van God.

En als een mens jou vraagt naar God, luister dan goed naar wat hij, wat zij, jou zegt. En luister naar wat de Heer tot jou zegt. Dan zul je, als het moment zich aandient, goede woorden spreken. Tegen je dochter, je klasgenoot, je collega, of je vader. En als het moet, zul je weten wanneer je zwijgt. En wacht je op het juiste moment om te spreken.

Tot slot

Een goed gesprek kan dus ook betekenen dat je samen stil bent. En luistert naar wat de Heer in jou spreekt. Het kan ook eerlijk zijn, en daardoor scherp. Omdat wat waarachtig en zuiver is, niet altijd is wat we horen willen. Een goed gesprek kan ook liefelijk zijn, en teder, omdat je goede woorden spreekt, die troosten, en hoop geven.

Laten wij luisteren naar de Heer. En Hem door ons heen laten spreken.

In de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, amen.

Zondag 16 september 2018, 9.30 uur
Ds. Hanneke Ouwerkerk
PG de Hoeksteen
Exodus 4: 1-17