Tot bedaren komen

De zwarte lijst van verpleeghuizen die afgelopen week werd gepubliceerd, riep nogal wat consternatie op. De lijst is onhelder, de verontwaardiging groot en de kritiek keert als een boemerang terug op de staatssecretaris die de lijst openbaar maakte. Dat verpleeghuizen niet de zorg leveren die ze moeten leveren, is dat een gevolg van bezuinigingen, bureaucratische druk of toch van bestuurders die geen kennis van de zorg hebben?

Er is veel over te zeggen. Maar onder de oppervlakte schuilt denk ik iets anders. Ouder worden is in onze samenleving bijna gelijk komen te staan aan een onvolwaardig leven. Afhankelijk. Niet langer zelfstandig. Lichamelijke gebrokenheid. Geestelijk verval. En op de een of andere manier symboliseert een verpleeghuis die afhankelijkheid. Waarmee het haaks staat op het credo van zelfredzaamheid.

Want dat is toch hoogst haalbare voor een mens, zo lijkt het. Om je kind-zijn te ontgroeien. Groter te worden, rijper te worden. Je eigen weg te gaan, los van je ouders. Het is ook waar onze kinderen toe worden groot gebracht, op school en in andere verbanden. Om zelfstandig te worden.

Niemand is er trots op, als hij of zij zijn zelfstandigheid verliest. Integendeel. Het is misschien wel een van de moeilijkste dingen voor een mens, om een ander te vragen om hulp. Om je te laten wassen, of te ondersteunen bij het lopen, je te voeren.

Alsof je weer kind wordt. Langzaam teruggaat naar de fase waarin je voor alles je ouders nodig had. De zorg van een moeder, de bescherming van een vader.

Psalm 131 is daarom ook een nogal anti-moderne psalm. God als een moeder, ik als zijn kind. Of toch niet zo anti-modern. Door haar spreken over onrust en stilte. We zullen het zien. De dichter schets een beeld van God als een zorgzame moeder die haar kind voedt en tot bedaren brengt aan haar borst. Waarmee de dichter zichzelf positioneert als een onmondig kind, jong en voor alles afhankelijk van zijn moeder. En daar vindt hij rust. En stilte voor zijn ziel.

Tot bedaren komen

Tot bedaren komen. Daar aan vooraf gaat onrust. En verdriet. Ontroostbaar zijn. Van daaruit is de psalm geschreven. Denk aan Israël in die tijd. Het volk zong dit lied op weg naar de tempel, om de grote feesten te vieren. Jeruzalem voor ogen, opklimmend vanuit de dorpen en steden. En als een tegengeluid klinken de woorden:

HEER, niet trots is mijn hart,
niet hoogmoedig mijn blik,
ik zoek niet wat te groot is
voor mij en te hoog gegrepen.

Want zo was het wel. En zo is het nog altijd. Wat kunnen mensen verschrikkelijk tegenvallen. Mensen met een trots hart en een hoogmoedige blik. Voortdurend op zoek naar meer en verder en hoger. Wat kun je jezélf soms ook verschrikkelijk tegenvallen. En wat brengt het een verschrikkelijke onrust in je teweeg. In je ziel, je binnenste.

Maar al zingend klinkt een ander geluid uit duizend monden van pelgrims op weg naar Jeruzalem. En wij, kerkgangers, zingen al sinds de eeuwen door met hen mee.

Dat voor het aangezicht van de Heer al die hoogmoed en trots, dat roekeloze verlangen naar groter en hoger, wordt omgekeerd. Neergehaald. Ontbonden. En je ziel wordt effen gemaakt, zo zegt de Hebreeuwse tekst. Een effen ziel. Niet dat alles gladgestreken is en onder het kleed geveegd. Nee, zo niet. Veel meer als een storm die tot bedaren is gekomen, als een zee die na hevige windvlagen tot rust is gekomen.

Want de tijden gaan heen en weer. En de onrust komt en gaat. En dit lied wordt steeds opnieuw gezongen. Als een werkelijkheid: zo is het, mijn ziel rust bij God. Maar soms ook als een gebed. O Heer, breng mijn onrustige hart tot bedaren. En zo zingen wij dit lied steeds opnieuw.

De dichter had het ook ergens anders kunnen zoeken. Die rust en verstilling. Buiten, in de natuur. De schoonheid van het groen, de bloemen die bloeien, de zon die opkomt. Of in zichzelf. Kop op, laat de moed niet zakken! In een museum, opademen bij een schilderij, een beeldhouwwerk. Of bij de klanken van muziek. Het kan allemaal. Maar hij doet het niet. Hij zoekt het bij God.

Als een kind bij zijn moeder

Hij zoekt het bij God. En hij ontdekt ‘de moederlijkheden van zijn Heer’ (Miskotte) Een gewaagd beeld dat de dichter gebruikt. Zo kennen wij God misschien niet. Veel eerder als Vader, denk ik. Maar de moederlijkheden van God lichten in dit lied op als een heldere ster. Zo wil hij voor je zijn. Als een moeder die haar kind draagt op de arm. Met melk verzadigt zij, ze droogt de tranen en draagt je onder haar hart.

Zo te schuilen bij God. In de innigheid van zijn hart dat naar je uitgaat, zijn sterke armen die je dragen, zijn hart dat troost. Wil je je voegen onder het ouderlijk gezag van God, om het zo maar te zeggen. Je voegen in het kindschap. Kind van God te zijn. Dat is niet alleen maar mooi, het gaat lijnrecht in tegen zelfredzaamheid en onafhankelijkheid. Ik ben het kind en God is mijn Moeder en mijn Vader.

Ergens druist het in tegen onze natuur, ons verlangen om vrij te zijn. Geen banden te hebben en geen gezag te erkennen. Om die gebruikelijke weg te gaan van kind naar volwassene. Op eigen benen te staan. En tegelijk, diep in mij schuilt toch ook zo’n groot verlangen naar het leven onder Gods hoede. Een verlangen naar verstilling. Naar tijden van een effen ziel, en een rustig hart. Omdat God er is. En Hij de wegen wijst. ‘Die wolken, lucht en winden wijst spoor en loop en baan, zal ook wel wegen vinden, waarlangs jouw voet kan gaan.’

Je zo aan God toevertrouwen. Met al je onrust en je angsten en je hoogmoed. Thuis komen bij Hem die als een moeder voor je zorgt.

Bij de moeder begint de wereld, schrijft Miskotte in een preek over deze psalm. Bij de moeder begint de wereld. Zo bij God te zijn, Hij die aan het begin van de wereld en van je leven staat. Zo te zijn. Niet rond te draaien in dingen die te groot en te hoog voor ons zijn. Die ver boven onze macht gaan en waar wij niet van weten. Die laten wij aan God.

Maar in zijn nabijheid te zijn. Om te léren aan zijn hart te rusten.
Ons door Hem te laten voeden met zijn goede gaven, brood en wijn. Om zo zijn vlees en bloed te worden. Als een kind, zo eigen met Hem die ons het leven geeft.

Amen

Zondag 10 juli 2016, 18.30 uur
Psalm 131
Maaltijd van de Heer
Ds. Hanneke Ouwerkerk