U zalft mijn hoofd met olie (Psalm 23:5b)

Je vraagt je soms af, wat Job had gezegd over de blijmoedige Psalm 23. U kent dit machtige dichtwerk uit het Oude Testament. Job was vroom en God twijfelde er niet aan of Job wel rechtvaardig was. Desondanks liet Hij toe, dat de satan Job zou plagen en tot aan de rand van de waanzin zou drijven. De HEER is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets. Dat klonk in Job’s oren waarschijnlijk meer als een vernedering en een wrede grap. Te meer omdat zijn vrienden hem ervan wilden overtuigen, dat hij zijn ongeluk verdiend had, dat hij schuld moest belijden tegenover God.

Wat ontdekken we als we Psalm 23 en het gelijkenisverhaal van Job tegenover elkaar stellen? We ontdekken, dat in de Bijbel geen systematische kennis van God geleerd wordt, die voor alle levenssituaties van toepassing is. Mensen hebben in de ene situatie de trouwe zorg van God over hun leven ervaren en prezen Hem daarvoor. In de andere situatie misten ze die sterk en beklaagden ze zichzelf en noemden ze zich de schietschijf voor God’s pijlen.(5b.) In het Nabije Oosten worden de schapen – net zoals bij ons – door insecten geplaagd.

Wanneer ik terugdenk aan het moment, waarop ik iemand zalfde, wil ik beginnen met een versregel uit Psalm 23. zalft mijn hoofd met olie Die leggen hun eitjes in het slijmvlies van de oren, de neus en de lippen van de schapen. Daarna vreten de larven zich bij de dieren naar binnen en als parasieten voeden zich met de lichaamssappen van de schapen. Dat jeukt en prikt en steekt en doet pijn. Er zijn schapen, die tot bloedens met hun kop tegen de rots slaan, omdat ze van de pijn af willen. Maar een goede herder neemt  voorzorgsmaatregelen. Hij bestrijkt de koppen van de dieren met een mengsel van hars en olie. Dat zorgt ervoor, dat de larven afsterven en de insecten zich niet kunnen nestelen in de huid en de slijmvliezen van de dieren.

Dit zalven is dus een beschermende maatregel tegen de insecten. Typisch dat de dichter van Psalm 23 deze beeldspraak ook gebruikt voor het zalven van mensen. In het Oude Testament werden koningen, priesters, profeten en vrijgelaten slaven gezalfd. Door dit ritueel werden ze gesteld onder een bijzondere bescherming – tegen ziekte, tegen depressies, tegen allerlei “insecten” (denk aan Ps 118:4 LvdK), maar ook werden ze gesterkt voor het vervullen van hun dienstwerk. In het Nieuwe Testament worden alle christenen genoemd: koningen, priesters en profeten. Daarom werden in de vroege kerk de dopelingen voor en na hun doop over hun hele lichaam gezalfd. Een restant van dit ritueel is bewaard gebleven in de Rooms-katholieke doopliturgie. Maar de Protestanten hebben deze zalving – anders dan Luther en de meeste andere Duitstalige reformatoren – voortvarend opgeruimd met als gevolg, dat christenen intussen zulke rituelen zoeken in andere godsdienstige gemeenschappen of zelf bedenken.

Wat let ons, om de deze vroeg-kerkelijke rite van de zalving weer te ontdekken en elkaar de bescherming, de hulp en de sterking van de heilige Geest toe te zeggen ?  Soms zijn de omstandigheden er naar en eisen ze van ons, dat we iets doen. Een tijd terug werd ik gevraagd als predikant te komen bij Anco O. Hij had jarenlang in een gezinsvervangend tehuis gewoond op ons dorp en werd nu verpleegd in een woonlocatie, omdat hij zeer ernstig ziek geworden was. Vooraf bedacht ik me, dat ik Anco niet met woorden kon bereiken, als hij angstig zou zijn voor wat komen ging. Zou ik met gebaren en geuren kunnen duidelijk maken, dat de HEER al ons leed komt verzachten ? Op het afgesproken moment zat ik met de persoonlijk begeleider samen rond het bed van Anco. Niet met gewijde olie, maar met geurige zalf raakte ik de handen en het voorhoofd van hem aan en zei de woorden van Psalm 23. Ja, wat moet dat, zult u vragen. Wat gebeurde er eigenlijk, toen je Anco liet ruiken, dat de HEER de goede Herder is ? Daarop kan ik u jammer genoeg geen antwoord geven. Misschien zullen we dat ook nooit precies kunnen zeggen. Maar één ding kan ik u wel met zekerheid zeggen: Er gebeurt bij zalving altijd iets, alleen zelden precies datgene, wat wij verwachten.

ds Chris Koole