Uit een slechte situatie iets goeds maken…

En een dag later was het de achtste dag. De Schepping was af, leek het. Het was alsof de aarde was versierd voor een groot feest: mooie ruimte, prachtige feestverlichting (de zon, de maan, de sterren); mooie aankleding (al die prachtige bomen en velden en bloemen); een mooi stel gasten (het wemelde van de dieren, de vissen, de vogels). En omdat in je eentje dansen  maar matig leuk is (it takes two to tango), had de Schepper twee mensen gemaakt, een man en een vrouw.  Kortom het feest kon beginnen.

Maar ja, we weten inmiddels wel zo’n beetje hoe het is met mannen en vrouwen, met jongens en meisjes… Ze hebben elkaar nodig, maar ze zijn ook verschillend. Adam wilde meteen gaan eten, en daarna flink dansen, maar Eva wilde eerst een hele tijd praten. Adam had zin in een paar biertjes, maar Eva zei al na de tweede: ‘Niet teveel drinken, hé Adam, we moeten straks ook nog naar huis.’ En toen Adam vond dat Eva niet moest zeuren, werd Eva opeens stil. En toen ze op de avond van de eerste dag naar huis liepen, zeiden ze helemaal niets met elkaar.

Als dat maar goed gaat, dacht God.

Op de negende dag stond Adam op met een knorrende maag. Hij plukte voor zichzelf en voor Eva een flinke berg bessen en aardbeien. Tijdens de ochtendwandeling, die hij na het ontbijt maakte, zag hij een behoorlijk dikke kip voorbij komen. Hoewel hij zijn buik net had volgegeten, kreeg hij  opeens toch ontzettende trek in kip nuggets. En toen sloeg hij die behoorlijk dikke kip dood en nam haar mee naar huis om er nuggets van te maken. Eva schrok toen ze Adam aan zag komen lopen met de dode kip. ‘Volgens mij heeft God niet gezegd dat we de dieren zomaar op mogen eten. We moeten toch juist goed voor de dieren zorgen?’

‘Ach, vrouwen,’ mompelde Adam.

Ondertussen vertelden alle kippen snel aan elkaar door wat er gebeurd was, en voortaan verstopten de kipen zich achter een bosje, als ze Adam aan zagen komen lopen.

En weer vroeg God zich af: ‘Gaat dit wel goed?’

Op de tiende dag maakte Adam en Eva een lange wandeling, en toen ze moe werden zeiden ze tegen elkaar: ‘Ach, hadden we maar een auto, dat is veel makkelijker dan lopen.’ Na een hele tijd proberen en hard werken hadden ze even later hun eerste autootje. De dieren gingen er krijsend vandoor als ze aan kwamen rijden. En van achteren kwam er wel heel donkere en stinkende rook uit de auto. Die rook was zo dik , dat overal waar Adem en Eva kwamen met hun auto, de zon en de maan en de sterren niet goed meer te zien waren.

God schudde zijn hoofd. ‘Gaat het wel goed met de Schepping die ik gemaakt heb?’

Op de elfde dag besloten Adam en Eva hun huis eens goed op te ruimen. Het is vreemd, hoe snel een huis vol kan groeien met van alles en nog wat. ‘Het wordt tijd dat we wat minder hebberig worden,’ zei Adam. En omdat er nog geen rommelmarkten en kerkbazaars waren uitgevonden, gooide Adam alles zo maar ergens neer in het bos. Het bos werd er wel een beetje lelijk van. Om de een of andere reden wilde het gras en de bloemen niet goed meer groeien op de plek waar Adam zijn vuilnis had gestort.

Ach, het bos is groot genoeg, dacht Adam.

‘Als dat maar goed gaat,’ dacht God.

Op de twaalfde dag, bedachten Adam en Eva dat het misschien toch niet zo’n goed idee was om al hun vuilnis zomaar in het bos te gooien. Wat dacht je van de zee?’ stelde Eva voor. ‘Goed idee!’ vond Adam. ‘De zee is groot en diep, en alles zinkt naar beneden, dus dan zie je er niets meer van.’ Dus gooiden ze hun afval voortaan in de zee.  Maar op een dag zagen ze allemaal dode vissen en krabben en kwallen op het strand liggen. ‘Hoe zou dat toch komen?’ vroegen Adam en Eva zich af.

Ondertussen vroeg God zich af waar dat naartoe moest met zijn schepping

Op de dertiende dag stond Eva op met een raar gevoel.
‘Wat kijk jij raar,’ zei Adam.
‘Ik heb een boze droom gehad,’ zei Eva.
‘Wat heb je dan gedroomd?’
‘Ik droomde dat het steeds donkerder werd op de aarde. Alsof er een grote dikke deken over de aarde lag. Overdag konden we de zon steeds slechter zien, en ‘s nachts zochten we vergeefs naar de maan en de sterren. Overal was het donker en leeg. En het was ook heel koud. We hadden alleen elkaar nog.’

‘Adam nam Ava in zijn armen om haar te troosten. ‘Het was maar een droom, Eva. Kijk maar naar het oosten, daar komt de zon net op. Zie je hoe mooi? Laten we er samen een mooie dag van maken!’

En God? God had zich verborgen in een windvlaag, en vanuit die windvlaag fluisterde hij tegen Adem en Eva: ‘Toch goed, dat ik jullie mensen zo gemaakt dat jullie op mij lijken. Natuurlijk, er zijn ook verschillen. Jullie zijn  mensen en dus vergissen jullie je vaak. Maar ik heb jullie wel zo gemaakt dat jullie van elkaar kunnen houden, net zoals ik van jullie houd. En dat is misschien wel het belangrijkste.’

En God zei nog iets vanuit de windvlaag: ‘Er is nog iets waarin jullie op mij lijken. Net zoals ik kunnen jullie uit een slechte situatie iets goeds maken. Ik heb jullie de kracht, en de fantasie, en het verstand, en de creativiteit gegeven om altijd weer opnieuw te beginnen. Want zo heb ik jullie ook geschapen: als mijn medewerkers in de Schepping. Als mede-scheppers. Ook daarin lijken we dus op elkaar.’

God wachtte even, en toen voegde hij nog toe: ‘Rust morgen eerst maar goed uit, want dan is het weer Sabbat. En dan beginnen jullie overmorgen gewoon opnieuw. Vergeet niet van elkaar te houden. En vergeet niet zo goed als jullie kunnen samen met mij te zorgen voor de Schepping. Goed?

En toen knikten Adam en Eva. En ze zeiden met één stem, het leek wel alsof ze zongen: ‘Amen.’

Ds. Frans-Willem Verbaas