Uiteindelijk wordt de lof van Israëls God en van het Lam in alle toonaarden en talen bezongen

9 Hierna zag ik dit: een onafzienbare menigte, die niet te tellen was, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het lam. 10 Luid riepen ze: ‘De redding komt van onze God die op de troon zit en van het lam!’ 11 Alle engelen stonden om de troon en de oudsten en de vier wezens heen. Ze bogen zich diep neer voor de troon en aanbaden God 12 met de woorden: ‘Amen! Lof, majesteit en wijsheid, dank en eer en macht en kracht komen onze God toe, tot in eeuwigheid. Amen.’ 13 Een van de oudsten sprak mij aan: ‘Wie zijn dat daar in het wit, en waar komen ze vandaan?’ 14 Ik antwoordde: ‘U weet het zelf, heer.’ Hij zei tegen me: ‘Dat zijn degenen die uit de grote verschrikkingen gekomen zijn. Ze hebben hun kleren witgewassen met het bloed van het lam. 15 Daarom staan ze voor Gods troon en zijn ze dag en nacht in zijn tempel om hem te vereren. En hij die op de troon zit zal bij hen wonen. 16 Dan zullen ze geen honger meer lijden en geen dorst, de zon zal hen niet meer steken, de hitte hen niet bevangen. 17 Want het lam midden voor de troon zal hen hoeden, hen naar de waterbronnen van het leven brengen. En God zal alle tranen uit hun ogen wissen.’

Preek

Wat denkt een wandelaar of fietser, wanneer die langs onze Hoeksteen komt als de kerkdienst aan de gang is ? Het kan niet anders of hij/zij hoort daarbuiten het geluid van ons zingen. Maar wat denkt die  daarbij ?

Deze vraag helpt me bij het nadenken over het tekstgedeelte van vanavond. De ziener Johannes wandelt dan wel niet langs een kerkgebouw op aarde, maar hoort wel zingen. Hij krijgt een stuk liturgie uit de hemel geboden. Hij hoort: ‘De redding komt van onze God die op de troon zit en van het lam!’ en  ‘Amen! Lof, majesteit en wijsheid, dank en eer en macht en kracht komen onze God toe, tot in eeuwigheid. Amen.’ In vs 10 en 12 wordt het hemelse tafereel, dat Johannes ziet en beluistert, gevormd uit twee gezongen antifonen (vaktaal voor een telkens herhaalde belangrijke regel uit een lied). Het gaat in dit lied erom, dat God en het Lam grote en goede dingen worden toegedacht, zoals redding, lof, majesteit en nog veel meer. Dat alles hoort juist bij die Twee op troon. En de grote menigte, die Johannes in de hemel hoort jubelen, weet deze grote en goede dingen juist bij de hemelse troon van God en het Lam te lokaliseren. En – zo gaat het lied verder – de grote menigte verwacht al dat goeds ook daarvandaan.

Hier in Opb 7:14-17 krijgen we als lezers een eerste uitzicht op de zuivere voleindiging van alles, wanneer het goede einde komt. Nu al krijgen we te horen, dat God ‘alle tranen uit de ogen zal afwissen’, terwijl dat eigenlijk pas vijftien hoofdstukken verder gezegd gaat worden bij de finale (Opb 21:4). Dat er geen honger of dorst zal zijn, vinden we ook pas aan het slot van het bijbelboek Openbaring (Opb 21:6).

Alsof de ziener al een vooruitblik op het goede einde wil geven aan de mensen op aarde, die nu nog lijden onder grote verschrikkingen. De beschrijving in Opb 7:14-17vormt één geheel en vertelt, hoe mensen na de kwellende benauwdheid eens bevrijd opademen zullen. De ziener Johannes heeft bij het schrijven dit allebei een doordachte  plaats willen geven. En dat kun je terugzien in de kerkdiensten van onze Hoeksteen in de voorbereidingstijd van Pasen – wist je dat ? In die tijd zingen we ingetogen liederen en laten we het grote gloria achterwege. Maar op één zondag in die ernstige tijd voor Pasen (zondag Laetare) laten we de vreugde in ons boven komen; dan lezen we bijbelgedeeltes en zingen we liederen, die het uitzicht op het goede einde vrijgeven. Dat is wat Johannes de ziener bedoelt in Opb 7: Er liggen nog vijftien hoofdstukken voor ons tot aan het einde van dit boek Openbaring, en het kan ook allemaal nog lang duren tot het goede einde komt,  maar nu al krijgen we het uitzicht erop.

Wat  hoofdstuk 7 zo bijzonder maakt van het hele bijbelboek Openbaring, is dat de kerk hier op aarde met de juichende kerk in de hemel wordt vergeleken. Nu moet je trouwens wel een beetje uitkijken met dat woord ‘kerk’. Johannes de ziener gebruikt deze algemene aanduiding voor alle christenen – ons woord ‘kerk’ – helemaal niet. Wat wij de kerk op aarde noemen, beschrijft Johannes als het volk van God, dat bestaat uit de twaalf stammen van Israël. Hij heeft het over (Opb 7:5-8). Twaalfduizend uit de stam Juda die het zegel droegen, twaalfduizend uit de stam Ruben, twaalfduizend uit de stam Gad, twaalfduizend uit de stam Aser, twaalfduizend uit de stam Naftali, twaalfduizend uit de stam Manasse en zo meer, die het zegel droegen. Ook heeft de ziener het erover, dat de stad van God een grote, hoge muur had met twaalf poorten en bij elke poort stond een engel. Op de poorten waren namen geschreven: de namen van de twaalf stammen van Israëls zonen. (Opb 21:12). En zo ziet Johannes ook de namen van de twaalf apostelen dan op de fundamenten van het hemelse Jeruzalem geschreven staan De stadsmuur had twaalf grondstenen, met daarop de namen van de twaalf apostelen van het lam. (Opb 21:14). En  – dat weten we eigenlijk ook wel  – de groep van de  twaalf apostelen van Jezus staat ongetwijfeld voor het volk Israël.

Ook in een christelijk geschrift, dat een eeuw later dan het bijbelboek Openbaring ontstaan is, wordt de kerk uit Joden en heidenen nog uitdrukkelijk ‘uw aardse (volk) Israel’ genoemd. Nog steeds  houden de eerste generaties christenen vast aan het door de Schrift (Oude Testament) geijkte begrip ‘volk van God’.  De in Christus gelovende mensen kunnen zichzelf niet anders zien dan als Israël. En als de ziener Johannes het heeft over de kerk in de hemel, dan  beschrijft hij uitvoerig en veelzeggend de verlosten in de hemel. Nu is het niet meer het volk, bestaande uit de twaalf stammen, maar een ontelbare menigte uit alle landen en volken. Een onafzienbare menigte, die niet te tellen was, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het lam. (Opb 7:9)

Wat de kerk op aarde betreft –  zo geeft Johannes aan – die kon in een bepaald opzicht wel het ‘ware Israel’ zijn. In een paar hoofdstukken eerder (in Opb 2:9 bijv) doet hij krasse uitspraken, als hij schrijft over de Joden die met de Romeinse keizer sympathiseren, door bijvoorbeeld voor de keizer te offeren. Hij scheldt die dan uit voor ‘synagoge van de satan’. Mensen die zich Joden noemen en het niet zijn, maar bij Satan horen. Tegenover deze volgens de ziener afvallige Joden is de kerk het ‘trouw gebleven Israël’. Maar er bestaat nog steeds geen eigen woord, waarmee de kerk zichzelf beschrijft. Zo nauw leven deze christen geworden Joden en niet-joden binnen de geestelijke horizont van het Oude Testament. Ik vind deze opvatting theologisch heel positief. Want op deze manier kom je niet voor de moeilijke vraag te staan, of het godsvolk van het nieuwe verbond zich echt wel aan het navolgenswaardige voorbeeld van het oude godsvolk houdt. Dat probleem kun je zo laten rusten. De ziener Johannes zegt ongeveer dit: Als christen geworden gelovigen zijn we allemaal Jood geworden. En als je verbaasd vraagt, wanneer en hoe dat dan gebeurd is, geeft hij als antwoord: In het bloed van het Lam (een andere vorm daarvan: de waterdoop op de naam van Jezus) zijn ze witgewassen. Dat heeft ons een reinheid gebracht, die de besnijdenis ver overtreft.

Zo beschrijft de ziener Johannes de verlosten in de hemel en zegt dan twee dingen over hen. Hij noemt waar ze vandaan komen en wat er met hen gebeurd is. Dat wordt een beschrijving van de echtheid van hun persoon, dat zijn hun identiteitspapieren: Het zijn degenen die uit de grote verschrikkingen gekomen zijn. En:  Ze hebben hun kleren witgewassen met het bloed van het lam. (Opb 7:14). Alle twee die ervaringen maken hen in gelijke mate geschikt voor de hemel.

In  Opb 7:15 beschrijft de ziener Johannes wat hij van de hemel heeft mogen zien: daar is op ditzelfde ogenblik en voor altijd de eredienst aan de gang. Daarom staan ze voor Gods troon en zijn ze dag en nacht in zijn tempel om hem te vereren. Wat hij hier uitvoerig beschrijft, is de ‘ideale’ situatie van de christelijke eredienst in de hemel en die op de aarde: heel de kerk daarboven en hierbeneden staat voor de troon van God. Allen staan daar met hun gezicht naar Gods troon gericht. Ja, misschien moesten we hier in onze kerkdiensten ook wat meer werk maken van die eredienst. De voorganger zou eens met het gezicht naar het kruis hier aan de wand kunnen gaan staan, net zoals u als gemeente. En dan, de eredienst in de hemel duurt ‘dag en nacht’. Als ze in de kloosters van ’s ochtends vroeg tot diep in de nacht  het getijdengebed bidden, dan doen ze dat in navolging van wat volgens de ziener Johannes daarboven gebeurt. Wat een mooie beeldspraak – God  troont op de eredienst vierende, wereldomvattende kerk.

Op de troon zit naast God de Vader het Lam. In de  eredienst en bij de kerkbouw zijn de gelovigen van de Middeleeuwen zeer nauwkeurig de ziener Johannes in deze bijbelse opvatting van de christelijke eredienst nagevolgd. De invloed van het boek Openbaring op de bouw van kerken in hoofdlijnen en in details is zo groot als van geen ander bijbelboek. Dat strekt zich uit van de twaalf  apostelkruisen aan de muren, die de twaalf fundamenten van het hemels Jeruzalem voorstellen, tot aan de tentachtige baldakijn in de oude kerkgebouwen over het altaar heen, zoals bijvoorbeeld in de Sint Pieter in Rome te zien is. De eucharistische vroomheid met de tabernakel en de  eeuwige aanbidding heeft de ziener Johannes opnieuw laten opleven in onze tijd. Voor ons protestanten, die zeggen overal God te kunnen vereren, is het een gewaarwording om onze rooms-katholieke stadgenoten in aanbidding te zien knielen voor een opgesteld, stukje avondmaalsbrood.

Juist hieraan kun je zien: de invloed van de Openbaring van de ziener Johannes wordt niet ‘in één maal’ ondergaan en verwerkt, maar in een op en neer gaande beweging. In de weg door de  liturgische ontwikkelingen van de laatste tijd kon  het bijbelboek Openbaring wel eens een nuttige leidraad zijn. Volgens de ziener Johannes is de eredienst in allereerste plaats: aanbidding.

Want het lam midden voor de troon zal hen hoeden, hen naar de waterbronnen van het leven brengen. En God zal alle tranen uit hun ogen wissen.’  Opb 7:17 eindigt met een op zichzelf onlogische vergelijking, denk je dan. Op aarde moeten lammeren door herders geweid worden, om voedsel te vinden en te vreten. Maar hier is’t het Lam, dat anderen weidt. Dit Lam brengt naar de frisse waterbronnen – daarmee knoopt de ziener Johannes aan bij de bekende beeldspraak uit Psalm 23: “De Heer is mijn herder…” Dat het Lam op de troon één en dezelfde is als de Heer en Herder van Psalm 23, betekent dit, volgens Johannes: Jezus is de volwaardige plaats van Gods aanwezigheid.

Dat God de tranen van de gezichten van de christenen afvegen zal, sluit weer aan bij (7:14) degenen die uit de grote verschrikkingen gekomen zijn. Deze verschrikkingen kan God niet tegenhouden blijkbaar. Maar wanneer de mensen die doorstaan  hebben, zal God de tranen afvegen, die nog in de ogen van de zwaar getroffen mensen zijn. Johannes ziet God als een moeder de tranen zachtjes wegblazen, en dat zal Hij doen met zijn levensgeest. Juist als de ziener Johannes het heeft over: Dan zullen ze geen honger meer lijden en geen dorst, de zon zal hen niet meer steken, de hitte hen niet bevangen(7:16) – dan spreekt hij daarmee de  aangevallen christenen in de wereld moed in. Zij worden getroost en beschermd. God zal voor hen zorgen en hen door het kwaad heen beschermen.

Bezie je de tekst van vanavond (Opb 7:9-17) in z’n geheel en beschouw je die als een uitzicht op het goede einde, dat zich beperkt tot het wezenlijke, dan ontdek je: deze tekst is wel heel sterk gericht op de toekomstige gemeente. De ziener Johannes heeft het niet over wat wij in de theologie de laatste dingen noemen, zoals de laatste tegenstander (satan met zijn aanhang, de keizer van Rome) of  het oordeel met de bestraffing van slechte mensen; ja zelfs over de opstanding van alle doden doet Johannes geen uitspraak. Dat slaat de ziener allemaal over, zo groot is zijn aandacht voor de eredienst. Uiteindelijk wordt de lof van Israëls God en van het Lam in alle toonaarden en talen bezongen.

De juichende aanbidding van God vindt de ziener Johannes daarom van het allergrootste belang: het is de zin van het bestaan van al het geschapene. Die wordt werkelijk in de lof op de Schepper. Juist doordat de tegenpartij in plaats van God de keizer quasi-godsdienstig vereert (Opb 13:3v), maakt ze – volgens Johannes – duidelijk hoe slecht ze is en hoe ze gericht is op de duivel, de moordenaar vanaf het begin. Volgens de ziener Johannes is het niet voldoende,  als christen geworden mensen stil in hun hart geloven en zo hun zaligheid bewerken. Nee, volgens hem is het noodzakelijk, dat wij voor allen zichtbaar in de openbare eredienst ons tot de Heer bekennen, ookal vanwege de publieke keizerverering door de tegenpartij. Om precies te zijn: de openbare eredienst vieren is, volgens Johannes, getuigenis afleggen op de eerste plaats. En zo hebben ook de goddeloze tyrannen vanaf het begin van het christendom het ook begrepen en daarom willen die nogal eens het houden van kerkdiensten verbieden. Alleen voor onszelf als christenen is het schijnbaar niet meer zo duidelijk; wij vatten de eredienst eerder op als een programma, waarmee de aanwezige bezoekers moeten worden vermaakt en bezig gehouden. Net zoals bij de televisie moet het dan gaan om grappige invallen en verrassende situaties. Nee, zegt de ziener Johannes ongeveer, in de openbare eredienst gaat het om een oorlogsverklaring aan alle mensenverachtende tyrannen en moordenaars in onze wereld. Liturgie is geen kerkelijk gemeente-feest in de engere zin van het woord, maar een openbare belijdenis en bekentenis tot de Schepper en de Bevrijder, tot Degene die het leven schenkt en het leven-dat-blijft belooft. Niet in het entertainment, maar in de aanbidding krijgt de kerk de haar toekomende gestalte en ieder, die bij haar hoort.

Wat denkt een wandelaar of fietser, wanneer die langs dit gebouw komt als de kerkdienst aan de gang is ? In elk geval dit zou mooi zijn: daar in de Hoeksteen wordt niet gekermd of gepiept,  maar daar zingen mensen – uit overtuiging tot eer van God en van het Lam.

Amen

Ds. Chris Koole