Uw koninkrijk kome

 

Afgelopen donderdag, Hemelvaartsdag, ging in Engeland de jaarlijkse gebedscampagne van start, als aanloop naar Pinksteren. Onder het motto ‘Thy Kingdom come’, Uw koninkrijk kome, wordt in verschillende kerken, en door mensen thuis, negen dagen lang gebeden. 

Het is een stille tijd, deze dagen. Ik bemerk bij mezelf enige weemoed. Een vreugde om het koningschap van Jezus, zijn hemelvaart is een troning. Een verdriet ook, om zijn afwezigheid. Een gespannen wachten op de dag van Pinksteren. En de ontroering, bij het woord van Jezus. ‘Ik zal u geen wezen laten, ik kom tot jullie.’

Het zijn de dagen waarin nog iets uitstaat. Een belofte die vervuld moet worden.

Jezus is in gesprek met zijn vrienden. Hij spreekt woorden van afscheid. Veel woorden. Zijn lijfelijke nabijheid, zijn tastbare aanwezigheid, komt ten einde. Hij wordt van hen weggenomen, en zij zien hem niet meer. Niet meer met hun ogen. Het is de tijd waar de kerk zich in bevindt. Dat wij Jezus niet met onze ogen zien. Ik proef in de woorden van Jezus, de vragen van zijn vrienden, ik proef iets van verlatenheid. Van eenzaamheid.

En Jezus zegt: ik zal de Vader bidden, dat Hij jullie een andere trooster geeft. Terwijl de kerk in Engeland, en in vele andere landen, negen dagen lang bidt, bidt Jezus zelf ook.

Verlatenheid, en troost. Soms valt het zo samen, de Wezenzondag, en de Moederdag. Ik bekijk de dag altijd met enige argwaan, leuk voor de kinderen, maar te vaak ook pijnlijk, of ongemakkelijk, of een dag met gemengde gevoelens. Je weet dat misschien wel van elkaar.

En tegelijk, de enorme aandacht die er aan besteed wordt, maakt misschien ook zichtbaar hoe je als mens verlangt naar de beschutting van een moeder. Naar krachtige armen die je troosten, lieve woorden die je gerust stellen. Het laatste boek van Tommy Wieringa, de heilige Rita, is niets minder dan een hartstochtelijk verlangen naar een moeder, die uitblinkt in afwezigheid.

Wezen zijn de meest kwetsbare kinderen, kwetsbare mensen, denk ik. Hoe ontheemd kun je zijn, wanneer je de vastigheid mist van een ouderlijk huis. De wijsheid van een moeder. De troost van een vader. Ook wanneer je ouders nog in leven zijn, kun je dat gemis heel sterk ervaren. Vreemde ogen kijken mij aan, schreef iemand over haar moeder.

En Jezus zegt: Ik zal u geen wezen laten. In de kring rond Jezus, de gemeente, is er een verbondenheid, die je broederschap en zusterschap kunt noemen. Dat zijn meestal niet de makkelijkste verhoudingen. Het zijn wel geschonken verhoudingen, je bent aan elkaar gegeven. En Jezus is het hoofd, de drager. En de troostende. Ik zal u geen wezen laten. Zoals een moeder om haar kind, zo is Jezus om de gemeente.

We bevinden ons in de dagen tussen de opstanding van Jezus, en zijn terugkomst. Dagen waarin we ons ontheemd voelen, soms, omdat we de Heer niet met eigen ogen zien. Waarin de Geest ons toegezegd is, als een krachtbron om te volharden. Als een onderpand, van wat nog uitstaat. En biddend wachten wij op de dag dat de belofte vervuld wordt. Ik zal u geen wezen laten, ik kom opnieuw bij jullie terug.

En wij vieren de maaltijd, in de tussentijd. Waarin Christus zo werkelijk onder ons is, als brood en wijn werkelijk zijn. Als je de verlatenheid nauwelijks verdragen kan, als je gebed verstomd is, als je troost ontbeert, vier de maaltijd. Het is een medicijn tegen ongeloof, een  bron van vreugde voor de treurigen. Het is de gestalte waarin wij God zelf zien, in zijn zoon. En het bindt ons samen, broeders en zusters, in geloof, en hoop, en liefde.

Ds. Hanneke Ouwerkerk
Johannes 14: 18
13 mei 2018
P.G. De Hoeksteen