Zin in wandelen Loetbos

Van jou wordt je hart gevraagd

Afgelopen week ontmoette ik een aantal collega’s en gemeenteleden uit allerlei kerken, in een gesprek over de preek, en over hoe je luistert naar een preek, en of je dat kunt leren. Een prachtig gesprek, wie weet kunnen we dat in de Hoeksteen eens herhalen. Hoe is onze luisterhouding, waar hoop je op? Wat belemmert je, als je hier zit, om het Woord te ontvangen?

Ik sta vaak op de kansel, maar ik merk, als ik in de kerk zit, hoe moeilijk het is om met een open hart naar een preek te luisteren. Denk er eens over, gaandeweg deze dienst, in de komende week, hoe je luisterhouding is. En of je daarin iets wilt veranderen, of kunt leren.

Een van de mensen, een kerel van een jaar of 40, vertelde hoe hij genadiger geworden is. Ik heb de neiging om alles wat gezegd wordt te fileren, af te branden, zei hij. Maar wat houd ik dan over? En doe ik daar wel goed aan? Ik bid, en wacht, en luister. Ik ben genadiger geworden in het luisteren. En ik hoorde dat ook in wat hij vertelde.

In dat gesprek vertelde ik over de lezing die we vandaag horen, Exodus 4. De meeste collega’s zeiden, ik zou me daar niet aan wagen. Ik heb het altijd overgeslagen, dat hoofdstuk. Doe mij maar de 10 geboden, dat is beter te verteren.
Ik kies ervoor om hoofdstuk aan hoofdstuk met elkaar te lezen, en dan kun je hier niet omheen. We merken allemaal wel, denk ik, dat dat best wat van ons vraagt. Alsof we elkaar als gemeente bijna dwingen om het te oefenen: hoe spreek ik, hoe luister ik, wat hoop ik vandaag?

Laten we het aangaan, vandaag, en volgende week een elke zondag. Een luisteroefening, om het Woord van God op te vangen, in je hart te bewaren, en te bidden dat het iets uitwerkt in ons leven. En zijn er stukken die onverteerbaar zijn, die te hoog gegrepen zijn? Dan laat je ze rusten, in je hart. En wie weet komt er een moment dat je er aan herinnerd wordt. Ja, dit is ook de Heer, zoals ik hem niet kende, maar nu wel. O ja, dit ligt ook in mijn hart, dat was ik vergeten, maar het steekt weer de kop op. Nou goed, laten we zo luisterend aanwezig zijn, in vertrouwen op God en zijn woord.

Exodus 4. Over God die je hart opeist, en je bijna op de hielen zit, om je aan Hem te binden. Daarom horen we vandaag dit verhaal.

Je hart

Mozes opdracht zal weinig uitwerking hebben, voorlopig. En Mozes wordt daarop voorbereid. Dat de vrijheid bevochten moet worden, en er een strijd om het hart gestreden zal moeten worden. Farao weigert hardnekkig om Israel te laten gaan. Meer nog, Farao’s hart is verhard. En God laat hem in zijn hardheid.

Farao is een mens met een hart dat verhard is. Alsof er een korst omheen zit, in de loop van de jaren opgebouwd. Of doorgegeven door zijn vader, die mogelijk nog harder was. Zijn hart is omwikkeld met talloze draden van begeerte, en macht, en woede, en het heeft hem tot een hard mens gemaakt. De wreedheid van deze farao, die mensen als slaaf gebruikt, niet aarzelt om te mishandelen, om te slaan, om ten dode toe uit te putten.

Afgelopen week zat bij onze krant een bijlage over moderne slavernij. Stuk voor stuk doken allerlei moderne farao’s op in de levensverhalen die verteld werden. Een wrede bazin die 3 jaar lang de Indonesische Zulfa als slaaf gebruikt en tot gruwelijke daden dwingt, totdat ze weet te ontsnappen. Een meisje van 8, Pavi uit India, die wat huishoudelijk werk dacht te moeten doen, maar als prostituee werd ingezet en vreselijk misbruikt. De Filipijnse Corazon werd in Nederland gevangen gehouden door de ambassadeur van Saudie Arabie in zijn huis in Wassenaar. Ook haar kinderen werden daar gehouden en ze moesten dag en nacht voor hem werken.

Soms ben je zelf zo’n vrouw, of zo’n kind. En weet je van de hardheid van een mens. Dat jouw tranen zijn hart niet verzachten. Dat je pijn geen medelijden oproept.

Soms ben je zelf zo’n hard mens geworden. Het begon geleidelijk. Eerst is het als een dun draadje wat je nog door kunt knippen. Maar je raakt er in verstrikt. Vanwege geld, of de macht die je ruikt, of het egoïsme dat je hart streelt. En dat dunne draadje, dat wordt dikker en dikker. En geen mens kan je nog bewegen tot een zacht hart.

Wees er niet gemakzuchtig in. Ga niet slordig om met je hart. Denk niet te snel dat anderen zo zijn, maar jij niet. Wees eerlijk naar jezelf, en laat je vormen door het evangelie.

Naar die farao moet Mozes gaan. Je begrijpt wel dat Mozes niet zomaar bereid is om God te gehoorzamen, om zijn roeping te volgen. Heer, vraag maar een ander. Ik kan niet spreken, wie ben ik dat ik zou moeten gaan? Maar God houdt vast aan Mozes, en roept hem steeds opnieuw weer tot gehoorzaamheid.

De angst is voelbaar. Oog in oog zal hij komen te staan met die tiran. En God bereid hem vast voor. Zijn hart zal niet verzachten. Het hart van de farao is hard, en het blijft hard. Precies op dit punt proef je iets van het geheim van Gods handelen, aan de ene kant, en de vrijheid van een mens, aan de andere kant. En dat die twee op een wonderlijke manier in elkaar grijpen.

Vrijheid waar je vaak aan gehecht bent. Ik maak mijn eigen keuzes, ik ben vrij om te doen en te laten wat ik wil. Soms ga je helemaal los, als je de vrijheid ruikt, en doe je alles wat je vroeger niet mocht. Maar het is de vraag hoe vrij je echt bent. Het onbewuste verhaal waar je in leeft, is veel sterker dan je zelf merkt, denk ik. De onbewuste invloeden van buitenaf, of van binnenuit, die zijn veel sterker dan je weet. En je levensgeschiedenis werkt vaak nog veel meer door dan je zou willen. Ten goede, of ten kwade.

Vrijheid kan gewonnen worden, maar ook verloren raken. De farao met zijn macht, en geld, en gehoorzame volgelingen, is vrij om mensen te gebruiken voor zichzelf. Hij is vrij om kwaad te doen, om voor zichzelf te kiezen. Maar de vrijheid slaat om in slavernij, uiteindelijk kan hij niet anders meer dan hij altijd doet. Hij weet niet eens meer hoe hij barmhartig zou kunnen zijn. Of hij nog medelijden toe kan laten in zijn hart. Hij is slaaf van de macht die het kwaad is.

De draden die om zijn hart gesponnen zijn, zijn dik geworden. Hij is gepantserd. En God? God laat hem daarin. Dat is ook heel aangrijpend. God laat hem waar hij is. Heeft God zijn hart verhard? Of heeft de farao in vrijheid dit pad gevolgd, en wordt hij nu overgelaten aan zichzelf? Beide zijn waar, denk ik. En dat verontrust mij.

Ga niet gemakzuchtig om met je hart. Flirt niet zomaar met het kwade. Kies niet altijd voor jezelf. Want hoe sterk ben je, hoe vrij ben je om je eigen keuzes te maken? Er zijn zoveel dingen die aan je trekken, vrijheid is daar maar een klein stukje van. Ik denk dat je dat wel ziet in de klas, of bij jezelf, of bij een vriend. Hoe iemand zo veranderen kan, door je met dingen in te laten, die je geen goed doen. Ze maken je negatief, en bozig. En na een paar maanden, na een jaar, raak je zomaar je vriend kwijt, omdat hij een heel ander spoor gaat.

In de nacht

Over drie eerstgeboren zonen gaat het. En de kerk heeft er altijd een vierde bij zien staan, Jezus Christus, de eerstgeboren zoon van de Vader.

God noemt zijn volk Israel, het volk dat Hij geroepen heeft om Hem te dienen, Hij noemt hen zijn eerstgeboren kind. Prachtige, tedere benaming. De eerstgeborene heeft ook het erfrecht, de hoogste plaats in de familie. En mijn eigen zoon, mijn kind, heb jij van mij afgenomen, zegt God tegen farao. Je dwingt ze om jou te dienen. Maak ze vrij, opdat ze mij kunnen dienen.

Als je mijn kind niet aan mij teruggeeft, dan zal ik jouw eerstgeborene roven, zegt God. Het is een van de tien plagen, die Egypte zal treffen. Farao schrijft zijn eigen ondergang, door de weg van het kwaad te kiezen, en tegen God op te staan. Toch is dit een zeer aangrijpend stuk. Ik laat dat nu verder liggen, ik denk dat dat later in de tijd nog wel ter sprake komt.

Maar je voelt denk ik wel iets van de hartstocht waarmee God spreekt. Dit is mijn volk, mijn kind! En jij hebt het van mij afgenomen. Farao heeft zich iets toegeëigend dat niet van hem is. Dat is wat een mens doet, als hij een ander tot zijn slaaf maakt. Wat een mensensmokkelaar doet als hij een groep vluchtelingen voor geld overhevelt naar een andere smokkelaar. Dat is wat een baas doet als hij te veel en te lang iemand uitput voor een karig loon. Je eigent je iets of iemand toe die niet van jou is.

Maar het volk Israel behoort toe aan God. Hij houdt van hen, hun lijden gaat hem aan zijn hart.

Maar dan wordt het nacht. En keert het spreken van God om tot zwijgen. Een duister, verstikkend zwijgen. Als een donkere gestalte komt God op Mozes af. En zoekt hem te doden.

Deze wending in het verhaal, het is beklemmend. God zoekt een mens te doden. Zo kennen wij Hem niet. Of ken je Hem wel zo? Is Hij je te na gekomen, zo op de huid dat je de dreiging en de duisternis opmerkte? En dat God daarin was?

Voordat Mozes naar de farao kan gaan, eist God zijn hele leven op. Zijn hart en zijn leven, en zijn eerstgeboren kind, Gersom. Geboren in de woestijn, in een heidense familie. Niet besneden, of half, geen verbondskind gemaakt.

En God eist Mozes op ten volle. En zijn kind. Voordat Mozes oog in oog met de farao staat, moet hij volledig aan God zijn toegewijd. En dat kost iets.

Het is de God die wij nauwelijks kennen, denk ik weleens. Die je misschien niet eens wilt kennen. Maar dit is ook de God van Israel. En altijd, in de geschiedenis van dit volk, is er ook de duistere, donkere kant van God die zijn ongekende gang gaat. Het is de ervaring van het volk Israel, het is de ervaring van Gods andere eerstgeborene, Jezus, in Gethsemane, en aan het kruis. Het is de ervaring van miljoenen Joden in de kampen. En met hen, de ervaring van vele, vele broeders en zusters die het zwijgen van God kennen, en daar aan lijden.

Stilte…

Dat God je te na komt, om je voor zich op te eisen. De onrust die er voortdurend in je is. Liever zou je er geen gehoor aan geven, misschien. Liever koos je de kalme gang van je eigen hart. Maar die echo van God die je roept, ik weet niet of je die kunt ontwijken. Soms wel, een tijd lang. Maar dan dringt ie zich weer aan je op. En kan het zo zijn in je leven, dat God je bij de kladden grijpt, en je iets van die duisternis, van dat dreigende van God, ervaart. O God, hier ben ik in mijn halfslachtigheid.

Altijd die aarzeling, altijd die terughoudendheid, nooit de hartstocht, maar altijd het halve, karige kleine stukje van mijn leven dat voor God is. Maar is dat genoeg? Is dat werkelijk genoeg? Als het leven met God je nooit iets kost, kan dat wel? Denk daar eens over na, de komende week. Wat kost het jou, je leven met God? Wat kost het je vader en moeder, zie je dat aan ze? Zie je de breuk in hun leven, dat ze iets opgeven, om de Heer te dienen? Waar zien wij dat bij elkaar? Of is dat prive, moet ieder dat voor zich weten?

Zippora pakt een steen en resoluut snijdt ze de voorhuid van Gersom weg. En raakt met dat bebloede stukje voorhuid de voeten van Mozes aan. En God trekt zich terug en laat hen met rust…

Tegenover het duistere dreigen van God, stelt Zippora, de vrouw van Mozes, het verbond. In God is een donker zwijgen. Maar in Hem is ook de trouw van het verbond. Ik zal jouw God zijn, en jij zult mij tot een volk zijn. Daar beroept Zippora zich op, het is hun enige houvast.

Het diepe kenmerk van God in je leven is de besnijdenis. Voor de Joden de besnijdenis naar lichaam en ziel. Van ons, christenen, wordt niet de besnijdenis van het lichaam gevraagd, maar wel die van je hart. En dat is pijnlijk, en dat trekt een scheur door je leven heen. En als je daar nooit iets van merkt, dan kan het zijn dat het nog dieper moet insnijden.

Tot slot

De kerk leest Jezus Christus in dit verhaal. Jood, besneden. En eerstgeboren zoon van God de Vader. Hij stond oog in het oog met het donkere dreigen van God, in Gethsemane. Toen hij de drinkbeker vreesde, maar in gehoorzaamheid toch de beker dronk en de dood stierf. Zijn leven werd afgesneden. God gaf zijn eerstgeboren kind.

Het is Christus gehoorzaamheid, die ons redt. Zippora besneed haar zoon, en zij beriep zich daarmee op het verbond dat God gesloten heeft. Als je je beroept op Jezus Christus, en op zijn gehoorzaamheid, dan ben je veilig bij God.

Daarin wordt Gods hart zichtbaar. Dat Hij je niet overlaat aan jezelf, maar een ruimte schept waarbinnen je met Hem kan leven. Het kost Hem zijn kind.

Van jou wordt je hart gevraagd. Je hele hart. En je zult merken, dat dat een offer is. Een strijd die je voert, soms je leven lang. De strijd met je ik, en met je demonen. Met je aarzeling, je ongeloof. God vraagt je hele hart. Maar het offer bracht Christus. Hij gaf zichzelf. En in zijn Naam leren wij om ook onszelf te geven. Stukje bij beetje, maar uiteindelijk heel je hart.

Uit dit verhaal licht ook de kracht op van de sacramenten. De doop, waarmee je ondergaat in de diepte, en opstaat uit het water. Het brood en de beker, waarmee de gebrokenheid van Christus, waarmee het offerschap, zo sterk gezien en geproefd wordt. In het water, in de wijn, ligt een kracht van Gods genade. In dat moment wordt waar, wat God beloofd. In Christus naam word je een nieuw mens.

En dan is er een duisternis in God, die ons verontrust, en beangstigt. Maar er is ook de trouw, en de hartstocht van God voor zijn volk, voor de gemeente. Ik zal jouw God zijn, jullie zullen mijn gemeente zijn.

Laat Christus in jou wonen, met al zijn volheid. Geef Hem je hart, en laat je leiden.

De nacht gaat voorbij, en de dag breekt aan. Gods duisternis keert om in licht. Hij zendt Aaron, als stem, als broeder, als middelaar tussen God en Mozes. Ze treffen elkaar op de berg Gods. En als een vredeskus van God, als een genadige groet van Christus, kust Aaron Mozes. Zo wendt God zich tot jou.

Laten we stil zijn…

Zondag 21 oktober 2018
Ds. Hanneke Ouwerkerk
P.G. de Hoeksteen