Van wie kun jij de naaste worden?

paus_14_juliWe hebben sinds kort een interessante paus. Afgelopen week bracht Paus Franciscus een bezoek aan Lampedusa, een Italiaans eiland waar jaarlijks duizenden Afrikanen met bootjes naartoe varen, hopend op toegang tot Europa. Italië en Europa zitten niet op die vluchtelingen te wachten – ze worden geïnterneerd in kampen. De paus wierp een krans in zee voor de  duizenden die onderweg waren omgekomen, verdronken. En hij sprak daar een paar ongemakkelijke woorden. Hij sprak over de globalisering van de onverschilligheid. ‘We zijn aan het lijden van anderen gewend geraakt, het betreft ons niet, het is onze zaak niet.’  Daar herkende ik mij eerlijk gezegd wel in, in die onverschilligheid, dus raakten zijn woorden me. De paus riep op tot solidariteit: hij probeerde het stof van dat inmiddels ouderwetse woord te blazen.  Nu is de paus de baas van de rooms-katholieken, dus wij kunnen onze protestantse schouders over hem ophalen. Maar het evangelie van deze zondag, de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan, gaat toevallig ook over solidariteit en naastenliefde die grenzen overschrijdt. En die gelijkenis hebben we niet van de een of andere Paus maar van Jezus zelf gekregen. En met die gelijkenis stelt Jezus ook ons een paar ongemakkelijke vragen.

Is iedereen die hulp nodig heeft, zoals die vluchtelinge op Lampedusa, mijn naaste? Waar moet onze hulp dan beginnen? En wat als we zelf ook te maken hebben met een serieuze crisis en bezuinigingen? De gelijkenis nodigt uit om kritisch door te denken. We kunnen bijvoorbeeld denken: het is niet zo moeilijk om eenmalig iemand die gewond langs de weg ligt. Die Samaritaan had het nog makkelijk!  Dan kan ons zelfs een heel prettig gevoel geven. Het wordt pas moeilijk als je dezelfde persoon voor de vierde, vijfde, zesde keer moet helpen, omdat ie verslaafd is, chronisch ziek, chronisch arm, chronisch slachtoffer, chronisch probleemgeval… Margareth Thatcher, de vroegere  Engelse premier, heeft ook over de gelijkenis nagedacht, en zij trok de volgende conclusie: Als die barmhartige Samaritaan niet rijk was geweest, had hij die arme vent niet kunnen helpen. En dus stond ze een politiek voor die erg barmhartig was voor de rijken. Benieuwd wat paus Franciscus over deze exegese zou vinden.  We kunnen de gelijkenis verder eindeloos actualiseren. Dan maken we van die Samaritaan een Palestijn, of een jonge Marokkaan, of iemand die net de tegenovergestelde politieke of religieuze opvattingen heeft als wijzelf.   Jezus zet ons telkens weer aan het werk, met zijn gelijkenissen… Hij nodigt ons telkens weer uit om onze verantwoordelijkheid nemen en zelf verder denken! Zo neemt Jezus ons uitermate serieus, maar laten we eerlijk zijn:  makkelijk maakt Hij het ons daarmee niet.

We laten vandaag heel veel thema’s en vragen liggen. Wij beperken ons vanmorgen verder tot twee zaken.

1. Van de priester en de Leviet, wordt alleen vertel dat ze langskomen.  Van de Samaritaan wordt verteld iets anders verteld: van hem wordt verteld dat hij op reis is: Een Samaritaan echter, die op reis was… Die priester en die Leviet die gaan van A. naar B. Ze willen die afstand waarschijnlijk zo snel mogelijk overbruggen. Ze moeten op tijd ergens zijn. Of ze willen gewoon naar huis. Ze zijn moe – van de priester wordt ook verteld dat hij afdaalde, klaar was met zijn werk. Ze hebben misschien zorgen – wie niet. Ze zijn met hun gedachten ergens anders – het leven is nu eenmaal ingewikkeld. De weg van Jeruzalem naar Jericho was smal en stijl en kronkelend – ze moesten zowat over die gewonde man heenstappen. Maar ze hebben misschien gewoon even geen ruimte voor die ander. Herman van Veen heeft daar ooit een mooi liedje over gemaakt: Opzij opzij opzij, maak plaats maak plast maak plaats, wij hebben ongeloofelijke haast…  Misschien hebben de priester en de Leviet dat liedje wel geneuried, toen ze om die  gewonde man heenliepen. Tamelijk herkenbaar. Ook wij razen en racen maar door over de snelweg van het leven, langs en over elkaar heen.

Van de  Samaritaan wordt als enige gezegd dat hij op reis was… Hij raast niet, hij racet niet, hij is op reis. Wie op reis is, heeft tijd. Wie op reis is, verlaat bij voorkeur de snelweg en heeft oog voor de onverwachte schoonheid van een dorp, van een uitzicht, van een onverwachte gebeurtenis. Wie op reis is, die staat open voor onverwachte ontmoetingen en belevenissen. Gaat u binnenkort met vakantie: probeer eens te reizen als die Samaritaan! Zonder haast. Levend bij de dag. Zij die geloven, haasten zich niet, zei Jesaja al. En denk dan aan de paus: die man heeft echt een overvolle agenda in het Vaticaan: schandalen, corruptie, ontkerkelijking. Maar wat doet hij? Hij gaat op reis, neemt de tijd om te zien wat er gebeurt in de wereld. Hij reist naar dat eiland Lampedusa, om daar een stelletje arme drommels en gelukszoekers te ontmoeten – en hun naaste te worden

2. Het woord is gevallen: wie is mijn naaste? Hoe word je een naaste?

((Tekstdia: Vers 29: De wetsgeleerde vroeg aan Jezus: Wie is mijn naaste? Vers 36: Jezus vroeg aan de wetsgeleerde: Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?))

Wie is mijn naaste? vroeg de wetsgeleerde die eigenlijk vooral in het eeuwige leven was geïnteresseerd – maar goed, hij wilde best met Jezus meedenken. Jezus antwoordde met het verhaal over de barmhartige Samaritaan. En toen Jezus dat verhaal had verteld, stelde hij op zijn beurt een vraag aan de wetsgeleerde. Wie van deze drie ( de priester, de leviet of de Samartiaan) is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?  De wetsgeleerde antwoordde: Degene die hem barmhartigheid heeft gedaan…

Hoort u hoe Jezus de vraag verandert? Bijstelt?

De vraag: wie is mijn naaste? wordt door Jezus veranderd in: Wie is de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers..? Daarmee zet Jezus het begrip naaste in een ander daglicht. Wie zich afvraagt: Wie is mijn naaste? – die kijkt en wijst naar de ander. Wie zich afvraagt: Van wie word ik de naaste? – die kijkt en wijst naar zichzelf.  Wie denkt: mijn naasten, mijn hemel dat kan iedereen zijn, waar moet ik beginnen? Help! Maar Jezus houdt het klein en vraag aan de wetsgeleerde, en aan ieder van ons: Begin er nu eens mee je af te vragen van wie kun jij de naaste kunt worden?

Let u ook op het werkwoord worden: Van wie kun jij de naaste worden? Een naaste die heb je niet zomaar. Een naaste, die ben je niet zomaar. Een naaste laat zich niet zomaar zoeken of vinden. Een naaste – dat is geen statisch gegeven. Geen natuurwetmatigheid. Het is eerder iets wat kan gebeuren, geschieden… De gelijkenis vertelt ons dat het kan gebeuren dat we op een dag iemand ontmoeten, iemand met een gezicht en een verhaal… En dat dat gezicht ons aankijkt… En dat we er dan voor kiezen om voor die mens een naaste te worden. En als wij dan wat tijd nemen voor die ander, om te luisteren, aandacht te hebben… dan kan het zelfs gebeuren, dat in ons medelijden zich het  medelijden van De Eeuwige weerspiegelt.   Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers? vroeg Jezus Degene die hem barmhartigheid heeft gedaan… zei de wetgeleerde Doet u dan evenzo, zei Jezus, en u zult deel hebben aan het eeuwige leven. Mooi is dat: eeuwig leven, dat is gewoon te doen!

De paus (die iets meer mogelijkheden heeft dan u of ik!) koos er de afgelopen week voor, ondanks zijn drukke agenda, om de naaste te worden  van de gedetineerde vluchtelingen op Lampedusa. Niet van de de hele wereld. Niet van de Syriërs, niet van de Egyptenaren…De paus kan ook niet alles, die moet ook kiezen… Hij ging naar Lampedusa. Voor het oog van de wereld heeft hij zo in de afgelopen week de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan geactualiseerd en gedaan. Op de een of andere manier raakte hij daarmee een gevoelige snaar bij velen.  Gelovigen én niet-gelovigen zagen: hier gebeurt iets bijzonders. Alsof iedereen voelde dat in die ene daad van de Paus de barmhartigheid van de eeuwige God even zichtbaar werd.

We hoeven nu niet allemaal met vakantie naar Lampedusa. De eerste de beste camping,  het eerste het beste bungalowpark, is ook heel geschikt, en onze eigen straat ook trouwens, om voor die ander die toevallig op onze weg komt, een naaste te worden.

Frans-Willem Verbaas