Verlangen komt aan het licht in verbeelding

Dit weekend staat eigenlijk helemaal in het teken van Ruth,
maanden van voorbereiding,
ja, bijna een jaar lang,
zijn heel veel gemeenteleden bezig geweest
met alles wat daarbij komt kijken.
En dat is veel:
het inoefenen van rollen,
teksten, liederen,
het maken van de kleding, de decors,
het schminken,
de catering.
Met elkaar – wat een bijzondere manier om gemeente te zijn.
Vanmiddag ga ik zelf kijken – ik heb het dus nog tegoed.

Deze dienst zit een beetje ingeklemd tussen de uitvoeringen van de musical.
Zelfs ingeklemd in het decor er van.
Natuurlijk kwam de gedachte op om te preken over Ruth
maar omdat vorige week Ruth in de dienst centraal stond
koos ik voor één van de andere feestrollen,
die kleine bijbelboeken die worden gelezen
op de grote joodse feest- en gedenkdagen.
En ik koos voor het bijbelboek Hooglied.

Ruth hoort bij het Wekenfeest – oorspronkelijk een oogstfeest –
en daar ligt natuurlijk de link met Ruth
waarin het oogsten een belangrijke rol speelt.
Het Wekenfeest wordt zeven weken na Pesach gevierd,
bij christenen het Pinksterfeest dus.
Het Hooglied hoort bij Pesach, het joodse paasfeest.
En in deze Paastijd lijkt dat dus een voor de hand liggende keuze.

Die koppeling van het boek Hooglied aan Pesach
werpt een heel eigen licht op het boek Hooglied.
Pesach is immers het feest van de uittocht
het gedenken van de bevrijding uit de slavernij.
Hooglied wordt daarmee gelezen als een boek van verlangen.
Verlangen naar een leven dat vrucht draagt,
een leven dat in vrijheid en vreugde,
in liefde geleefd kan worden.
In verbondenheid ook.
Man en vrouw – beeld voor God en zijn volk.

Wat speelt er in het Hooglied?
We lazen slechts enkele verzen,
maar daarin wordt al een hele wereld opgeroepen.
Een wereld van liefde en liefdesverlangen.
Maar in een wonderlijke, ons niet vertrouwde context.
De wereld van een harem,
een rond de koning verzamelde groep vrouwen.
Een leven in grote luxe,
maar afgezonderd van de buitenwereld.
De vrouwen in de harem ontlenen hun status aan het
– soms maar voor één nacht –
bruid van de koning te mogen zijn.

Het lijkt in taal soms wel op een soort miss World verkiezing.
Het gaat er om de mooiste, de meest begeerlijke te zijn.
En zo drager te worden van een koningskind.

Een ons vreemde wereld zei ik,
vrouwonvriendelijk – zo afhankelijk te zijn.
En tegelijk ook wel weer herkenbaar.
Want horen bij die ene – soms onbereikbare, maar beroemde man,
er lijkt nog altijd een zekere aantrekkingskracht van uit te gaan.
En andersom: er zijn mannen die vanuit hun positie
nog altijd denken te kunnen beschikken
over vrouwen.

Maar in het Hooglied lijkt juist die afhankelijkheid onder kritiek te worden gesteld.
Eenvoudig te verstaan is het boek niet – en er zijn talloze boeken over geschreven.
En de manier van lezen die ik hier kies is er slechts één van vele.

Want voor sommigen is het Hooglied het toppunt van poëzie,
anderen zijn blij dat er zo vol vreugde over lichamelijke schoonheid
en het genieten van de liefde wordt geschreven,
er zijn er die niet begrijpen wat dit boekje in de Bijbel doet,
en weer anderen lezen het boek allegorisch:
ze vertalen de liefde tussen Bruid en Bruidegom
als de liefde tussen God en zijn volk
of als die van Christus en zijn gemeente,
of een – meer intiemer – als tussen Christus en de ziel.

Maar het Hooglied gaat hoe dan ook – ik zei het al – over een verlangen.
Te midden van die harem van de koning –
is er een vrouw – donker.

Donker ben ik, maar bekoorlijk,
o dochters van Jerusalem!
donker ben ik, en mooi,
Als de tenten van Kedar,
als de wandkleden van Salomo

Geen stadse vrouw dus,
maar iemand die veel aan de zon werd blootgesteld.

De zon heeft naar mij getuurd.

Iemand van buiten dus.

Bewaakster van de wijngaarden.

Zij verlangt niet naar de koning,
zoals de anderen die haar omringen
en zoals op deze plaats ook van haar verwacht wordt.
Nee zij verlangt naar een herder – buiten –.
Een herder die zij ontmoette in de wijngaard
die ze niet bewaakte.
En daarmee lijkt ze te spreken over zichzelf.

En dat verlangen – dat uitzien naar de ontmoeting met deze ene –
dat kleurt het hele lied.

En dat verlangen is verstaan door grote mystici
zoals Bernardus van Clairvaux
die bijna 86 preken schreef op het Hooglied
en zo de broeders binnenvoerde in het geheim van de liefdevolle ontmoeting
van Christus met de ziel, die gevoeld kan worden, als ‘een gekust worden’.
Anderen lieten zich er op een bijzondere manier door inspireren,
zoals Johannes van het Kruis,
die het prachtige “Geestelijk Hooglied” schreef.

Verlangen

Als we het Hooglied lezen als een boek van verlangen,
verlangen naar een liefde die wijkt, maar het leven richting geeft,
dan kunnen we het lezen als een mogelijke spiegel
waarin we onderzoeken hoe het met ons verlangen is gesteld.

Ooit kwam ik de volgende stelling tegen:
“wanneer wij spreken, spreken wij altijd over ons verlangen.”
En die stelling werd onderbouwd door te vertellen over een ontmoeting.
Er werd verteld over een ontmoeting met een oude man, zittend op een bankje.
Er ontstaat een gesprek met hem, waarin hij terugblikt op zijn leven.
Hij is tevreden – het is goed geweest.
Verlangt u dan nergens meer naar? wordt er dan gevraagd.
En de man antwoord:
Dat is heel iets anders, weet je, niet alles is vervuld natuurlijk.

Verlangen als het niet vervulde – zo kan het met je meegaan.
Dat kan een gevoel van spijt geven.
Maar je kunt in dit onvervulde ook iets anders horen.
Daarin komt iets aan het licht
van wie je bent, waar je naar uitstaat of uitstond,
wat jouw leven kleurde.
In dat waar jouw verlangen naar uitgaat
wordt wie je bent uitgetekend.
Dat verlangen geeft richting aan je leven,
geeft je leven zin.

Ik denk aan gesprekken die ik heb in het ziekenhuis
met oudere mensen.
Als ze ernstig ziek zijn
en het onzeker is of er sprake kan zijn van herstel,
bespeur ik vaak een zekere berusting.
Een vrouw is ziek en zegt: wat wil je ik ben 91.
Je weet dat er een keer een eind aan komt.
Maar ik ben niet bang voor de dood hoor.
En dan:
Maar ik zou nog wel de geboorte willen meemaken
van mijn achterkleinkind.

Haar leven heeft vrucht gedragen in haar kinderen.
Ze heeft zorg gedragen – en ziet in haar kleinkinderen –
en in haar achtste achterkleinkind dat op komst is
die bestemming van haar leven tastbaar aanwezig.

Haar verlangen naar leven,
zoals zich dat toont in de geboorte van nieuw leven,
is zelfs – op wat mogelijk haar sterfbed is –
nog altijd bewaard gebleven.

Een man, veel jonger, is ongeneeslijk ziek:
Maar zijn oudste dochter is in verwachting:
ik wil mijn kleinkind nog zo graag zien, zegt hij.
En als ik hem maanden later weer ontmoet,
vermagerd, kwetsbaar, aan infusen gekoppeld
en gevoed via een lijn in zijn aders,
dan toont hij me een foto van zijn kleinkind
en vertelt dat hij het nog bij de doop naar binnen heeft mogen dragen,
in een rolstoel gezeten.

Verlangen reikt naar een toekomst – is een soort levensenergie.

Verlangen komt aan het licht in verbeelding – is toekomstdroom –
zou je kunnen zeggen.
Kan een bron zijn die je met je meedraagt.
Gevoed soms met iets van de vervulling er van.

Een man – jarenlang was hij dakloos, omdat zijn leven zo anders liep
dan hij had gehoopt en gedacht –
vertelt me over zijn liefde voor gedichten.
Vroeger verzamelde hij boeken,
prachtige uitgaven had hij in zijn boekenkast staan.
Dat is hij allemaal kwijt.
Maar als hij vertelt over die gedichten
beginnen zijn ogen te stralen –
straalt doorheen de afbraak van zijn lichaam
de bron van zijn verlangen:
het leven te verstaan in verzen
die een geheim in zich dragen.
En wordt in hem zelf dat levensgeheim zichtbaar.

Waar doe je je verlangen op?
Dat heeft iets geheimvols.
Kun je achterhalen waarom je ergens naar verlangt?
Wat ten diepste in jou vervulling zoekt?

Een van de meest bijzondere verwoorders van het verlangen
is misschien wel Augustinus.
Zijn Belijdenissen zijn een soort weergave
van een groeiend verlangen naar het geheim van alle werkelijkheid.

Onrustig is mijn hart tot het rust vindt in U – is een bekende uitspraak van hem.
Maar van Augustinus is ook het woord ‘verlangen bidt altijd’.

Hierin krijgt het verlangen een richting
die het leven van een mens op een bijzondere manier kan tekenen,
het verlangen je leven te richten op het geheim van Gods aanwezigheid.
Een verlangen dat nooit ten diepste vervuld kan worden
omdat God nooit tot bezit kan worden.
Hij wijkt, altijd weer – en wekt altijd weer verlangen.

Zoals de donker getinte vrouw in het Hooglied verlangt naar haar geliefde,
van wie ze in de harem van de koning is afgesneden.
Ze droomt van hem.

In het tweede hoofdstuk – zover konden we niet lezen vandaag –
staan de aangrijpende regels:
2,1 ’s Nachts in mijn slaap zoek ik mijn lief.
Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.
2 Laat ik opstaan, rondgaan in de stad,
laat ik in de straten, op de pleinen,
zoeken naar mijn allerliefste.
Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.

Johannes van het Kruis zal er in zijn Geestelijk Hooglied van maken

Waar houdt Gij u verborgen
Beminde, en laat me in zuchten achter?
Gelijk een hert ontvlucht Ge
Nadat Ge mij gewond hebt;
Ik liep en riep U na
en Gij waart spoorloos.

Een meditatie bij dit vers draagt als opschrift:
Jij die verborgen blijft.

Als je in jezelf het verlangen naar God op het spoor komt
dan is er altijd ook een pijnlijk van hem gescheiden zijn.
Verlangen blijft altijd een uitstaan naar,
een reiken,
een proeven van vergezichten
een – zoals Oosterhuis het ooit verwoordde – ‘zien soms even’.

In het Hooglied zien we dat ‘niet in bezit kunnen nemen’
verwoord in het vijfde hoofdstuk:

5,6 En ik deed open voor mijn lief,
maar hij was weg,
mijn lief was weggegaan.
Een duizeling beving mij
toen ik zag dat hij er niet meer was.
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet,
ik riep hem, maar hij antwoordde niet.

Is er dan alleen gemis – alleen een uitstaan naar?
Blijf je uiteindelijk dan in een soort eenzaamheid gevangen?
Nee, het is de liefde zelf die in je innerlijk
een soort ankerpunt gaat vormen.
Het is een wetend – niet-weten.
Het is voorbij aan wat je denken kan,
bevatten kan.

In het Hooglied staan in het laatste hoofdstuk
dan ook met de prachtige regels:

8,6 Draag mij als een zegel op je hart,
als een zegel op je arm.
Sterk als de dood is de liefde,
beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.
De liefde is een vlammend vuur,
een laaiende vlam.
7 Zeeën kunnen haar niet doven,
rivieren spoelen haar niet weg.

Zo mogen we de liefde voor God met ons meedragen
als een verlangen dat altijd zal blijven bestaan
in de spanning tussen vervuld en onvervuld.
Omdat het geheim van alles werkelijkheid
zich nooit volledig kennen laat.
Maar waarin we – soms op een onverwacht moment –
onszelf ten diepste gekend en bemind mogen weten.

Preek van 19 april 2015

Ds. Joep Roding