Gemeenteavond P.G. de Hoeksteen

Vrede is een werkwoord

Vrede is een werkwoord

Van ons Nederlanders bestaat bij andere wereldburgers vaak een bepaald beeld.
Heel veel mensen denken namelijk niet alleen dat we allemaal op klompen lopen en in een molen wonen, maar ook dat wij Nederlanders heel erg zuinig zijn. We zijn een beetje ‘knieperig’. We geven niet zo graag iets weg, we geven niet zo graag iets uit….
…. zelfs als je als Nederlander op vakantie bent in een oord waarvan je zeker weet dat er nog nooit een Nederlander voor je is geweest, dan nog kennen de mensen daar de leus:
‘kijken, kijken, niet kopen’.

Mocht u dat in uw komende vakantie meemaken, dan zou ik u bij deze willen adviseren: glimlach maar vriendelijk naar de beste man of vrouw die u dit toewerpt, en ga rustig door met kijken.

Want tegen die tijd weet u namelijk dat er helemaal niets klopt van de veronderstelling dat Nederlanders nooit wat weggeven. Sterker nog, wij zijn binnen Europa het meest vrijgevig van allen. Het prestigieuze Wall Street Journal deed een onderzoek naar de vrijgevigheid van Europeanen. En dan blijkt dat tweederde van de Nederlanders doneert aan goede doelen, terwijl het Europese gemiddelde slechts op een derde ligt.

We hadden het net al even over Potsdam, maar onze oosterburen scoren helaas als een van de minst vrijgevige landen, slechts een vijfde van de Duitsers geeft aan goede doelen….
Het is dat Gucken, gucken, nicht kaufen niet zo lekker in de mond ligt, anders zouden de medewerkers in de toeristenindustrie die zin ongetwijfeld overnemen…

—-

Over geven, over weggeven. Daarover gaat het vanmorgen.

Want ondanks dat we het als Nederlanders echt niet zo slecht doen, roepen de Bijbelteksten van vandaag ons op om toch vooral te blijven geven, en misschien nog wel meer te geven dan we gewend waren te doen, of zelfs meer te geven dan we dachten te kunnen geven.

Als ik dat zo zeg, lijkt daar wellicht wat fanatisme in te zitten, maar zo is dat niet bedoeld.
Ik wil proberen uit te leggen hoe ik dat dan wel bedoel.

We hebben twee teksten gelezen. De eerste ging over Noach in de ark, die een raaf en een duif loslaat. De tweede tekst gaat over Jezus, die plots bij de discipelen komt.

Bij die tweede tekst wil ik graag beginnen.

We gaan voor ons gevoel even een week terug in de tijd. Want de tekst speelt zich af op de avond van de paaszondag.

En op het moment dat de lezing uit het Johannesevangelie begint, zijn de discipelen ergens in Jeruzalem in een heel nare, angstige stemming bijeen. Ze hebben zich verstopt, misschien in iemands huis, uit angst voor de joodse leiders. Ondanks het feit dat in de vroege morgen Maria van Magdala en twee discipelen vanuit de graftuin naar hun huis zijn gekomen om te zeggen dat zij geloven dat de Heer is opgestaan, en Maria zelfs heeft verteld over haar ontmoeting met de Heer in de graftuin…. Ondanks dat zitten ze daar angstig op een kluitje.

Er is ook wel veel misgegaan de afgelopen dagen, laten we eerlijk zijn. Het begon al toen ze naar de hof van Gethsemane gingen – onderweg hadden de discipelen Jezus plechtig beloofd: ‘Al zou ik met u moeten sterven, verloochenen zal ik u nooit.’

Maar wat gebeurt er? Eerst zijn ze in slaap gevallen toen Jezus hen vroeg wakker te blijven, daarna sloegen ze op de vlucht toen de ME hem op kwam halen en vervolgens hebben ze machteloos moeten toekijken hoe hij werd gekruisigd en uiteindelijk stierf.
Het hele rampscenario heeft zich voltrokken. Uiteindelijk hebben ze met elkaar Jezus van het kruis afgehaald en hebben ze hem moeten begraven.

En dan kan het wel zo zijn dat ze vanmorgen een aantal blije mensen op de stoep hadden staan, met het bericht dat zijn graf leeg is en dat hij leeft…. Maar op dit moment heeft toch de twijfel weer toegeslagen. Want er is teveel misgegaan, en er is teveel schuld. Het is nog maar de vraag of, als Jezus werkelijk leeft, er ook voor hen een nieuw leven mogelijk is…

—-

En dan, plots, staat hij in hun midden. Jezus.

Toen ik deze tekst nog eens las dacht ik: Jezus had op dit moment dat hij voor zijn discipelen staat, van alles kunnen zeggen. Bijvoorbeeld iets als: Hallo allemaal, hoe gaat het?

Als hij dat gezegd had, dan hadden de discipelen als reactie vast gezegd of gedacht:
Hoe het gaat? Ja… Niet goed natuurlijk. Dat kunt u vast ook wel aan ons zien!
Het is natuurlijk geweldig dat u leeft, maar we zitten hier met hopen schuldgevoel. En de Joodse leiders zitten nog steeds achter ons aan! We hebben al drie dagen niet geslapen, sommigen van ons hebben alleen maar gehuild. Het is heel verwarrend allemaal. We rammelen allemaal nog van onrust.

Maar dat is niet wat Jezus zegt.

Jezus had ook binnen kunnen komen en kunnen zeggen: De dood is overwonnen, halleluja!

Maar ook als hij dat had gezegd, was de dubbelheid bij de leerlingen blijven bestaan.
Dat de dood overwonnen is, is natuurlijk prachtig! Maar de angst, en dat schuldgevoel… alles wat misging…. Dat is nog lang niet overwonnen.
Als ik bedenk wat Jezus allemaal had kunnen zeggen, vind ik het des te bijzonder dat hij zegt wat hij zegt: Vrede zij u: Ik wens jullie vrede!

Want dat is precies wat zijn leerlingen nodig hebben. Vrede.
Vrij te zijn van de angst die aan hen knaagt, van buiten en van binnen.
Bevrijd te zijn van het schuldgevoel dat ze met zich meedragen.
En er ontstaat dan ook direct blijdschap bij de leerlingen.

Jezus schenkt zijn leerlingen bevrijdende vrede.

Het viel mij eigenlijk pas in de voorbereiding op deze preek op, dat Jezus hier binnenkomt met een geschenk. Hij schenkt vrede. Vrede is iets om weg te geven.

Dat is eigenlijk niet wat ik me erbij voorstel als ik tot God bid om vrede. Ik denk dan eerder aan een soort van goed gevoel dat neerdaalt uit de hemel en alles rustig maakt. Of ik denk aan anderen, die stoppen met oorlog voeren en ruziemaken. Ik denk niet in eerste instantie aan mezelf als iemand die vrede kan geven, vrede kan uitdelen.

Maar vrede is een geschenk. Het is niet alleen een geschenk van Christus aan ons, het is ook een geschenk van mensen aan elkaar. Wij hebben de opdracht elkaar de vrede te schenken. Dat wat we zelf hebben ontvangen, mogen we weer doorgeven, mogen we weer weggeven.

Vrede is een woord om mee aan de slag te gaan, een werkwoord dus.

Dit alles wordt nog wat concreter wanneer Jezus tot zijn leerlingen zegt: Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’
Die woorden zijn overigens geen nieuws voor de discipelen. Jezus heeft dit al vaker tegen hen gezegd. En ook in het gebed dat Jezus hen leerde neemt het vergeven van de zonden een belangrijke plek in: Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven wie ons iets schuldig is… We bidden het vrijwel iedere zondag in de kerk en we gaan het ook straks weer bidden.

Toch herhaalt Jezus het hier nog eens: Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’ Kennelijk is het een heel belangrijke opdracht, en kennelijk ook is het een heel moeilijke…. En daar kunnen we wel inkomen.

Want hoe goed zijn we eigenlijk in vergeven?

Hoe goed zijn we in vergeven als iemand je op een onrechtvaardige manier behandelt, je in een hoek duwt, je negeert?
En dan zijn dat eigenlijk nog relatief ‘kleine dingen’ als je ze vergelijkt bij wat mensen soms wordt aangedaan. Deze nuance wil ik wel graag maken, ik denk namelijk dat mensen elkaar dingen aan kunnen doen, die voor een gewoon mens vrijwel onmogelijk te vergeven zijn.

Toch worstelen we ook met die ‘kleine’ dingen. Is het moeilijk om die dingen te vergeven. En dat leidt tot beschamend gedrag. Het leidt ertoe dat je een andere route kiest in de stad of in de supermarkt, als je in de verte iemand aan ziet komen. Het leidt ertoe dat je mopperende opmerkingen door de huiskamer slingert. Het leidt ertoe dat je soms dingen over mensen denkt die je niet hardop wilt herhalen, en al helemaal niet hier in de kerk.

Waarom is vergeven zo moeilijk?

Ik denk dat dat is om twee redenen:

Ten eerste merk je vaak bij jezelf dat je eigenlijk vindt dat de ander eerst zijn excuses bij jou moet komen maken. Als dat gebeurt, zal het vergeven vast makkelijker gaan. En zo lang dat niet gebeurt, doe ik ook niks. En dat laat dan meteen ook duidelijk de posities zien: ik ben goed, de ander is fout.

De tweede reden dat vergeven niet eenvoudig is, is dat het soms ook wel lijkt of we geen afstand willen doen van dat verongelijkte gevoel. Dat gevoel dat je hebt als jou onrecht is aangedaan. Dat gevoel dat je hebt dat die ander fout is… en dat jij goed bent… daar is ie weer.

Het is een gevoel dat maakt dat je opgesloten raak in mezelf. In je eigen wereldje, waarin ik alleen gelijk heb.

Maar het is ook een gevoel dat de ander opsluit. De ander blijft steeds degene die verkeerd is, die verkeerd was.

—-

Opgesloten zijn –

Noach in zijn ark en de discipelen in dat huis in Jeruzalem, kunnen er over meepraten.
Binnen kun je wel wat heen en weer wandelen, maar het wordt op een gegeven moment toch benauwd. Er moet ruimte komen, er moeten gaten komen in die muren die je om jezelf hebt opgetrokken. Die gaten ontstaan alleen als je iets onderneemt, als je zelf een opening maakt, als je zelf iets weggeeft.

Er komt lucht en ruimte als je de ander vergeving en vrede schenkt.
Dat gaat niet vanzelf. Ik noemde het al: vrede is een werkwoord. Je moet een keus maken de ander vrede te schenken. En zo gaat dat ook met vergeving. Het is een wilsbesluit de ander te vergeven. En dat niet een keer, niet twee keer, maar soms zeven maal zeventig keer. Vergeven is hard werken.

Noach werkt er aan om buiten te komen. Hij opent de vensters van de ark en laat zo de buitenlucht binnenstromen. Hij geeft een duif weg, symbool van vrede. Dat moet hij niet één keer, niet twee keer, maar drie keer doen. Pas op dat moment weet hij dat de weg tot een nieuw leven weer begaanbaar is.

Jezus maakt voor de discipelen een opening in hun opgesloten-zijn, niet alleen door ineens voor hen te staan, maar met name door hen zijn vrede te schenken en hen op te dragen deze vrede en deze vergeving, weer door te geven. Hij maakt hen duidelijk dat de weg tot een nieuw leven nu begaanbaar is.

Als je elkaar vrede en vergeving schenkt, als je oprecht zegt ‘ik geef aan jou de vrede van Christus door’, ‘ik schenk jou vergeving’, dan maak je daarmee als het ware een opening in jezelf. Je doet een luikje open. Je bent niet meer opgesloten in je eigen gelijk.
En ook maak je een opening voor de ander. Je sluit hem of haar niet meer op in het hokje waarin je hem of haar gestopt hebt. Het is niet meer zo dat jij goed bent, en de ander fout. Iedereen wordt hiermee gelijk.
Je maakt een opening in jezelf, die gevuld kan worden, met de Heilige Geest.

Ik zei aan het begin van de preek dat we meer weg zouden moeten geven.
Eén van de synoniemen van weggeven is ‘vergeven’.

Ik zou er vanmorgen nog een synoniem aan toe willen voegen, dat waarschijnlijk nooit in de dikke Van Dale terecht zal komen: vrede.

Want vrede is een werkwoord

Amen

Ds. Annemarie Roding
P.G. de Hoeksteen
23 april 2017