Vreest niet, weest niet bang

“Fürchtet euch nicht”. Vreest niet, weest niet bang. Zo opende een Berlijnse krant, de Berliner Morgenpost, afgelopen week het nieuws, kort na de gruwelijke aanslag op een kerstmarkt in Berlijn. De hele voorpagina van de krant werd bedekt met deze letters, wit op een donkerblauwe achtergrond: ‘Fürchtet euch nicht’. Wees niet bevreesd.

Woorden die een engel eerder tegen herders sprak, toen zij doodsbenauwd in het donker van de nacht, verblind werden door het licht van de Heer dat hen omscheen. In de Kerstnacht.
Krachtige woorden, die in een bange tijd opnieuw klinken, midden in een stad die door dood en geweld getroffen is, kort voor het Kerstfeest wordt gevierd.

Ondertussen is in Nederland jong en oud geraakt door het verhaal van de kleine Tijn, ernstig ziek, die een actie op touw heeft gezet voor Serious Request, met een overweldigend resultaat. Al meer dan een miljoen euro is er opgehaald met de nagellakactie. Dat wijze koppie van een ventje dat al zoveel in zijn leven heeft meegemaakt, roept bij veel mensen ontroering op en er wordt massaal geld gedoneerd voor Serious Request.

Veel verder, in het kapotgeschoten Aleppo, houdt een boekwinkeltje bijna dagelijks haar deuren open. Ik las er een onooglijk berichtje over in de krant. Het Syrisch Bijbelgenootschap heeft een boekwinkeltje waar onder anderen Bijbels worden verkocht. De vraag is groot, vooral naar Kinderbijbels, zegt directeur George Andrea. In het Westen van de stad is het relatief veilig, voor zover dat over oorlogsgebied te zeggen valt. Voor de eigenaren van het winkeltje in ieder geval voldoende veilig, om de deuren open te houden.

Dit is de wereld waar wij in leven. Een wereld van aanslagen, van zieke kinderen, van gulle liefdadigheid en van een open winkel in een verwoeste stad. En midden in deze wereld, waar jij en ik leven, klinkt het Kerstevangelie. In de Gedächtnisskirche in Berlijn, vlakbij de plek waar de aanslagen gepleegd werden. In talloze kerken in Nederland en in gebrekkige huizen in Syrië, waar trouwe christenen stand houden.

En vanavond ook in de Hoeksteen, waar wij in veiligheid samen zijn, verbonden met elkaar, om woorden van God te horen, opdat we niet de moed verliezen, maar de hoop bewaren. Hoop op God.
God geeft een teken
Midden in de nacht, als iedereen slaapt, alleen de herders waken, komt God in de wereld. Frappant is dat, de meeste mensen slapen. Alleen wakkere herders, misschien wel trouwe mannen die wachten op God, zij zijn de eersten die Hem opmerken. Maar alles moet ze door de engel gezegd worden. Want licht dat door de duisternis breekt, is eerst en vooral schokkend en ontregelend. Ze deinzen terug en zijn bevreesd. Angstig. Het is ze teveel.

Maar de zachte woorden van de engel nemen de vrees weg en opent ze de ogen voor het kind. Want dat onooglijke kindje, Hij is het teken waaraan wij God kunnen herkennen:
Dit is voor u het teken: ge zult vinden een kind in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.

De Christus is geboren, het woord van de profeten is vervuld, is waargemaakt in deze ene nacht. God legt zijn Godheid af en komt in het menselijk vlees. En dat, precies dat is het teken. In het kleine, onooglijke kind, zomaar in een voederbak gelegd, ontwaren wij God zelf. Alsof God zich niet zomaar vinden laat, maar de verborgenheid, de kleinheid opzoekt.

Want wie zal God zoeken in de armoede, in de nederigheid. Wie verwacht hem in het geweld van die dagen, in de omgeving waar keizers de dienst uitmaken en hun woord wet is? Wie zal daar God verwachten?

Maar dít is juist het teken. Dat er geen plaats is en God een buitenstaander. Dat Hij geen lichtkrans om zijn hoofdje heeft, maar stro dat aan alle kanten uit de voederbak piekt. Een kind zoals wij kind geweest zijn. En in al die menselijkheid, laat God zich vinden. Juist in die menselijkheid, dat hele gewone, herkennen wij God zelf, ‘der mensen broeder’.

Als je dan ook jezelf kent, in je kwetsbaarheid. Je armoede. In je gebrokenheid, de duisternis. Niet al te gewichtig doen voor God, niet wat grootdoenerij, maar je eigen hart kennen. Je ontkomt er niet aan, in het licht van de kribbe. Als onze grote God zich zo klein maakt, doet dat iets aan je hart. En kniel je neer, in die stal, om samen met de herders te aanbidden. In stilte, in je kleinheid, in diep ontzag voor onze menselijke God.

Zo wordt ons aangezegd waar God zich vinden laat. In de nederige armoede, in dagen van duisternis en van menselijk gekrakeel. Niet om dat te verheerlijken, maar omdat Hij onder mensen wonen wil. Gewone mensen, zoals wij zijn, met onze strubbelingen en arroganties, met onze zonden en onze zorgen. Onder ons wil Hij wonen.

Misschien zoeken wij God vaak wel op de verkeerde plek. Zoeken wij Hem veel te hoog. In het geluk, in de zegeningen, in de perfectie. En vast en zeker kun je Hem daar ook vinden, voor God is geen deur gesloten, geen weg onbegaanbaar.
Maar eerst en vooral treffen wij Hem aan, in het gelaat van Jezus Christus. Als kind ligt Hij neer, ingebakerd in een voederbak. Treffen wij God aan in het kleine, het gewone, menselijke leven, zonder opsmuk.

Brengt dat ons deze dagen hier in de kerk, een verlangen om iets van God op te merken? Om dicht bij Hem te zijn? Ergens voelen we dat misschien wel aan, dat in die armoedigheid, in de kale behuizing van de stal en de kribbe, iets zichtbaar wordt van God, zo anders dan wij denken, maar zo nabij.

De huiselijkheid die er rond de Kerstdagen hangt, voor de een meer dan voor de ander, dat zal duidelijk zijn, maar de knusheid van lichtjes en warmte, van samen rond de kerstboom en zingend in de nacht, het ontvouwt iets van de hoop op God, die zo ons leven binnen wandelt. Geen huis is voor Hem te klein of te kaal, geen hart is voor Hem te hard of te koud. Stil en groots, in al zijn kleinheid, komt Hij ons gewone leven binnen.

Dat is de plek waar Hij tot ons komt. In het leven van alledag komt Hij tot ons met heil en vrede. Om ons te zeggen: vreest niet, Ik ben met je. En zo brengt het Christuskind een glans over de dingen, over ons kleine, menselijke leventje, een glans van genade. Van een voluit ‘ja’ van God tegen ons, tegen dit leven en deze wereld.

En waar vernietigende krachten en kwade machten verwoestend werkzaam zijn, zingt in de stille nacht een engelenkoor, van God die in mensen behagen heeft, die ons van harte liefheeft. Het zingt van vrede die over de wereld gelegd wordt, als een profetie, van wat komen gaat. Gods ‘ja’, gesproken in het Kerstkind, is in al zijn kleinheid krachtiger en groter dan wat mensen ook maar bedenken.

In stil ontzag aanbidden wij het kerstkind, in wie wij God herkennen. Eer aan Hem, nu en altijd.

Amen

Zaterdagavond 24 december 2016, Kerstnachtdienst
P.G. de Hoeksteen
Lucas 2: 1-20
Ds. Hanneke Ouwerkerk