Wachten op God, tot Hij je antwoordt

Een liefdeslied in de kerk. Een schitterend lied over liefde en lust, over begeerte en verlangen. Over de schoonheid van dat ene meisje, die ene jongen en een onstuitbaar verlangen naar samen zijn. Lied der liederen, heet in het Hebreeuws. Hooglied, zoals Luther het noemde. En van de talloze liefdesliedjes die er zijn, springt dit er toch wel bovenuit.

‘Laat hij mij kussen, laat zijn mond mij kussen! Jouw liefde is zoeter dan wijn.’ Zo begint dit liefdeslied, onvergelijkbaar!

En dat terwijl ondertussen in de media het huwelijk en de liefde wordt gedowngrade. Praktisch niet haalbaar, zegt de één in een interview over trouw zijn, afgelopen week in dagblad Trouw. Zo onhandig als je je verlangen maar op één mens mag richten. Trek het wat breder en laat mensen meerdere liefdesrelaties aangaan. Dan ben je veel vrijer en veel gelukkiger. (Trouw, vrijdag 12 februari 2016)

En een jonge filosofe zei eerder al dat de eeuwige ware liefde een illusie is en we ons zelf tekort doen met je binden aan één persoon.

En ergens lijkt het alsof ze hele sterke papieren hebben. Want om hoog op te geven van de liefde, in een tijd waarin zoveel huwelijken stranden en een relatie onderhouden lang niet gemakkelijk is, misschien is het wel heel naïef.

Maar vanavond zegt het Evangelie ons de goede woorden aan. Over God als de bron van liefde, van wie wij leren om van harte lief te hebben. Over geborgenheid van waaruit liefde wordt geleefd, verlangen gedeeld en ruimte is om te wachten.

Verlangen en wachten

Alleen bij hem, alleen bij haar wil ik zijn. Het Hooglied is er helder over. Een jonge meid zingt hartstochtelijk over haar geliefde. Ze beschrijft hem in haar lied aan haar vriendinnen, de meisjes van Jeruzalem. En in wisselzang bezingen ze elkaar, hij en zij. Ze kennen elkaar, zijn met hart en ziel aan elkaar verknocht. Maar tegelijkertijd zoeken ze de ander steeds weer op. Ze zijn niet voortdurend bij elkaar. Het is een spel van zoeken en vinden, van verlangen en wachten.

Bij hem wil ik zijn. Niet al die andere, niet eens de koning Salomo, de ervaren koning met zijn duizenden vrouwen. Maar die herdersjongen, voor wie ik ben gevallen.

In erotische beelden waar het verlangen van afdruipt, bezingen de geliefden elkaar. Op een hele schone en hartstochtelijke toon. Alle ruimte daarvoor in het evangelie. Waar de kerk en seksualiteit zo vaak elkaars vijand lijken, daar keert het Hooglied dat tij. Alle ruimte voor een innige lichamelijke liefde. Scheppingsgave van onze God. En zie, het was zeer goed.

En daarom, niet dat praktische platte denken over meerdere partners als een verrijking van de liefde en het leven. Dát is een illusie. De diepe liefde en het kwetsbare lichamelijke verlangen, de intimiteit van de seks, het komt tot bloei in de nauwe band tussen twee mensen. Die jongen, dat meisje. Twee mensen samen.

Juist ook omdat in de liefde niet alleen nabijheid zit, maar ook een zoeken en tasten, een afstand soms tot elkaar, om elkaar daarna weer te vinden. Het is niet altijd jubelzang en loflied. Er is ook een tijd van wachten. Wek de liefde niet op, zingt het meisje, voordat zij het wil.

Dat vraagt tijd en geduld. Het vraagt liefde om op elkaar te wachten. En niet zomaar weer naar een ander te gaan, om je eigen verlangens te bevredigen. Nee, juist in die geborgenheid van het samen zijn, mag die ruimte er zijn. Terugkerend misschien wel. Dat je tijden hebt waarin je naast elkaar leeft, en elkaar niet vindt. Dat is ook moeizaam en zwaar. Als je liefde niet beantwoord wordt, of je verlangens niet vervuld.

Het is als de winter in je lijf en in je leven.

Het meisje zag haar lief als een hert over de bergen aan komen springen. Frank en vrij, huppelend kwam hij naar haar toe. Maar zij is verborgen, zit achter de tralies van een huis, opgesloten en als een duif verscholen in de bergwand. Haar lief kan haar gezicht niet zien en haar stem niet horen. En in haar verlangen om bij hem te zijn, door hem omhelsd te worden, is er ook iets van afstand.

Hij zoekt haar op, hij tuurt door het raam. Ga mee! Zij moet uit haar geslotenheid gehaald worden, om met hem mee te gaan, om de liefde te vieren.

En zo heeft het liefdesleven iets van een samenspel van zoeken en gevonden worden, van verlangen uithouden en vervuld verlangen. Geef elkaar die ruimte ook, als je in een relatie aan elkaar verbonden bent. Die geborgenheid van het huwelijk, van een relatie, is niet zozeer een beperking, iets waarmee je jezelf tekort doet. Integendeel. Juist die geborgenheid is ook je redding, je bescherming.

Omdat je, op momenten dat je jezelf kwijt bent, je geliefde niet kunt bereiken, of je hart is alsof er een sluier overheen ligt, op die momenten is het huwelijk, je relatie, als een huis waarin je mag blijven wonen. Een ruimte om elkaar weer op te zoeken en te vinden. Dat vraagt soms tijd, geduld en wachten. En dat is lang niet gemakkelijk, zeker niet. Maar wat een zegen is dan die verbondenheid met elkaar, dat je de ander niet zomaar loslaat, niet laat gaan, maar op elkaar wacht en elkaar vast blijft houden, door alles heen.

En als je zoekt naar een geliefde, of als je liefde niet beantwoord wordt,
als je aan elkaar verbonden bent, maar daarin niet geliefd en bemind wordt, mag het zo zijn dat je moed ontvangt om het uit te houden. Het uit te houden met verlangen dat in je leeft, met diepe teleurstelling om liefde die vervlogen is, om een geliefde die een andere weg gaat. Het kan je innerlijk verscheuren en verbitterd maken. Laten we daarin ook oog voor elkaar hebben en elkaar niet veroordelen, maar nabij zijn.

Daarom heb ik ook altijd wat aarzelingen bij Valentijnsdag. Het wekt toch een wat zoetig en lievig beeld bij de liefde, alsof het altijd die innige verbondenheid en die lievige romantiek is. Terwijl we allemaal weten dat het veel gelaagder, veel meer een blijvende oefening is om elkaar van harte lief te hebben.

Maar goed, tegelijk kan zo’n dag soms ook helpen om elkaar hernieuwd in de ogen te kijken, elkaar te verrassen en de liefde op te wekken op het goede moment.

Hooglied als Paasfeest

Dit grootste liefdeslied vertelt ons meer. De liefde is uit God. Hij heeft ons gemaakt om te beminnen en bemind te worden. Hij is de bron van alle liefde. En zo heeft de kerk dit lied altijd gelezen, als een loflied op Gods grote liefde voor zijn mensen, voor zijn volk. Als een hartstochtelijk gedicht op Jezus Christus, de bruidegom.

In de synagoge wordt het Hooglied gelezen op het Paasfeest. Waar de uittocht uit Egypte gevierd wordt. Bevrijding uit de slavenband, uit de onderdrukking. Denk je eens in, het Hooglied lezen op het Paasfeest. Schitterend! Gods bevrijdende liefde wordt bezongen. Hij bindt je aan Hem, met hart en ziel. En vanuit die gebondenheid mag je vrij zijn. Vrij om Hem met heel je wezen te dienen. Vrij om het goede van God te genieten in je dagelijks leven. In de liefde tot elkaar, en in die geborgenheid ook genieten van de seksualiteit in al haar begeerte en schoonheid, omdat het goede uit God komt.

‘Ik heb U lief o mijn beminde’, zong de kerkvader Augustinus tot God. Het heeft iets heel teders en intiems. Als je hart naar Christus uitgaat, dan ken je dat misschien we. Dat je zo overstroomt van liefde voor Hem. Een liefde, die door God zelf in je hart is gelegd. Liefde die beantwoord wordt. Gods hart gaat naar je uit. Naar jou. In innige verbondenheid samen zijn. Vol zijn van Hem, die ene God en Heer, onze bevrijder.

Niet aan allerlei afgoden, aan vreemde machten of andere goden. Maar aan Jezus Christus. En ook daarin geldt, je verlangen wordt niet altijd direct vervuld. De liefde tussen God en mens kent ook een tijd van wachten. Wachten op God, tot Hij je antwoordt. Wachten op zijn nabijheid, tot Hij zich aan je bekend maakt. Het is niet altijd lofzang en jubel tussen God en mij. Ik kan Hem lang niet altijd vinden. Of ik houd mezelf voor Hem verborgen.

Je hart is ook maar een wankel ding, dat misschien vol van verlangen is om de Heer te dienen, maar tegelijk zomaar aan een ander verpand wordt.

Goddank komt de liefde uit God. Daar komt Hij, springend over de bergen en huppelend over de heuvels. Want voor Hem is geen berg te hoog, en geen dal te diep. Zijn liefde gaat naar je uit en Hij maakt je bereid om je hart aan Hem te geven.
En juist die gebondenheid is ook een bescherming. Omdat God je nooit los zal laten. Ook niet als je Hem kwijt bent. Als je jezelf terugtrekt, op een afstand van Hem komt te staan. In die relatie tussen jou en God is die ruimte er ook. Om te zoeken en te vinden. Of, veel eerder, steeds weer door God gevonden te worden.

Slot

‘Kijk! De winter is voorbij, voorbij zijn de regens, weggegaan. De bloemen zijn verschenen op het veld, nu breekt de zangtijd, het koeren van de duif klinkt op het land. Mijn lief is van mij, en ik ben van Hem.’ (Hooglied 2)
Halleluja, amen.

Zondag 14 februari 2016, 18.30 uur
Themadienst Happy Valentine, over liefde en verlangen
Schoonhoven (De Hoeksteen)
Ds. Hanneke Ouwerkerk