Want alles draait om het hart

Aan het begin van deze preek van vanmorgen wil ik u en jullie eerst kennis laten maken met één van de bewoners van ons verpleeghuis: meneer Visser. Hij heeft veel fysieke zorgen, maar de belangrijkste reden dat hij bij ons is opgenomen, is zijn dementie. Meneer Visser is een vriendelijke en sportieve verschijning, met een hippe, paarse rollator.

Een paar weken nadat hij bij ons was komen wonen, raakte ik met hem in gesprek.
“Ik ben eigenlijk nooit naar de kerk gegaan” vertelde hij toen. “Ja vroeger, toen moest ik wel, maar…. ik was slim. Dan zei ik tegen mijn ouders dat ik alvast ging, dan liep ik naar de kerk…. en vervolgens liep ik er voorbij. Dan had iedereen mij naar de kerk zien lopen, mijn ouders dachten dat ik al in de kerk zat, maar ondertussen kon ik lekker voetballen met mijn vriendjes”.
Al gauw kwam de tijd dat hij niet meer met een omweg naar het voetbalveld liep, maar rechtstreeks. Met de kerk heeft hij nooit meer van doen willen hebben.

De tijden zijn echter veranderd, voor meneer Visser. Na een moeilijke tijd thuis, waarin zijn vrouw dement werd en steeds verder achteruit ging, moest hij aanzien hoe zij werd opgenomen. Zelf tobde hij ook met van alles en nog wat. En nu, nu is hijzelf ook opgenomen in het huis waar zijn vrouw al een tijd woonde.
En hij vertelt: “Ik had het zo moeilijk. En toen kwam mijn buurman, en die zei: misschien moet je eens proberen te bidden. En dat heb ik toen gedaan. Dan zie ik al die erge dingen op televisie en dan bid ik voor de ouders die hun kinderen hebben verloren. En ik bid voor mijn vrouw. En of mijn kinderen en kleinkinderen op bezoek willen komen, en dat helpt.
Maar ja…” zegt hij dan aarzelend “Mijn buurman heeft me wel op het spoor gezet, maar ik weet natuurlijk niet hoe het moet, ik doe maar wat”.
Meneer Visser kijkt me vragend aan, nu ben ik aan zet.

En ik vertel hem hoe bijzonder zijn verhaal is, en wat mooi ik het vind dat hij op deze manier steun en troost heeft gevonden. Maar hoe je moet bidden…. “Meneer Visser, ik kan u ook niet vertellen hoe je moet bidden. Er bestaan geen regels voor. Het enige wat ik kan zeggen is dat het belangrijk is dat u bidt met uw hart – en volgens mij doet u dat ook”.

Meneer Visser glimlacht. “Ja” zegt hij “dat zei mijn buurman ook al”.

Dat hart.
Daar wil ik vanmorgen met u over doordenken.
Na de lezing uit Markus komt dat voor u natuurlijk niet als een verrassing.
Want alles daarin draait om het hart.
Alles daarin draait om de vraag hoe je je hart op God gericht houdt, en hoe juist niet.
En we lezen ook waar dat hart allemaal toe in staat is.

Eerst even een korte blik op het toneel van het verhaal.
Jezus wordt omringd door mensen. Dat is eigenlijk al vanaf het begin van het evangelie van Markus het geval. Mensen in het hele land horen wat Jezus doet, wat hij kan, en van heinde en ver komen ze naar hem toe om zich door hem te laten aanraken, of om zelf een poging te doen hem aan te raken en zodoende genezing te vinden. In grote getale luisteren ze naar zijn onderwijs en reizen ze hem achterna.

Midden in deze massa mensen hebben enkele leerlingen behoefte aan pauze. Zij hebben hun lunchtrommeltje tevoorschijn gehaald, halen daar een boterham uit, en beginnen te eten. En dan barst de heibel los.

Want zoals Jezus door veel omstanders in de gaten werd gehouden, om maar vooral niets van zijn daden en woorden te missen, zo werd hij ook in de gaten gehouden door een delegatie schriftgeleerden en farizeeën. Zij zijn zelfs speciaal hiervoor helemaal uit Jeruzalem gekomen om ‘zich in zijn nabijheid op te houden’. En in gedachten zien we hen dan ook staan, met gespitste oren en met de verrekijker voor de ogen, om maar vooral iets te kunnen opvangen waar zij commentaar op kunnen leveren. Dat hadden ze eerder ook al eens geprobeerd, ze hebben Jezus zelfs al eens verweten dat hij samenwerkte met Beelzebul. Geen kinderachtige jongens dus, deze Nationale Vereniging van Jezus-Criticasters.

En ja hoor, ze zien inderdaad wat schandaligs: daar, die leerlingen, met hun lunchtrommeltjes. Die pakken dat brood gewoon met ongewassen handen beet!

Nou was het helemaal niet zo dat er al een algemene consensus bestond dat je voor het eten je handen moest wassen. Dat zou nog een eeuw of 19 duren. Maar de farizeeën en de schriftgeleerden zelf deden dit wel, en zij leerden het ook aan hun leerlingen. Het handen wassen was onderdeel van de reinheidswetten die zij volgden. Waarom zou Jezus het dan niet ook aan zijn leerlingen leren, hij was toch immers zelf ook een leraar? En daarom vragen ze aan Jezus: ‘Waarom houden uw leerlingen zich niet aan de tradities van onze voorouders en eten ze hun brood met onreine handen?

Van het antwoord dat zij hierop van Jezus krijgen moeten hun oren getuut hebben:
Want Jezus zegt: Huichelaars! Je dient God wel met de lippen, maar je hart is ver van hem! Je vereert God tevergeefs, want jullie onderwijzen jullie eigen leer, jullie eigen voorschriften. Je geeft de geboden van God op, maar je houdt je vast aan menselijke traditie!

Pff…. Dat is nogal wat. Je zult het maar over je heen krijgen.

We lezen prompt niks meer over deze farizeeën en schriftgeleerden. Ze zijn waarschijnlijk innerlijk ontploft na deze beschuldigingen van Jezus, maar ze houden hun mond, en je kunt je zo voorstellen dat ze er kwaad en verontwaardigd vandoor zijn gegaan, de verrekijkers stevig onder de arm geklemd, de stoom uit hun oren.

Terwijl we deze mannen weg zien lopen, wil ik, voor we verder gaan met de preek, in een klein uitstapje iets willen zeggen over deze farizeeën en schriftgeleerden. Ze komen er in het evangelie over het algemeen, en zeker ook hier in Markus 7, niet zo best van af.

Maar laten we niet vergeten, dat het juist deze farizeeën en schriftgeleerden zijn, die met al hun liefde en ijver voor God, de godsdienst in Israël in stand hebben gehouden en hebben bewaard in een heel moeilijke tijd – namelijk de tijd tussen de terugkeer uit de ballingschap en de tijd van het evangelie. Zij hebben met hoegenaamd niets het leven met God weer nieuw leven in geblazen, en zijn daar met hart en ziel aan toegewijd. Dat is iets dat zeker in hen te prijzen is. Het is allemaal met de beste bedoelingen gedaan, en het heeft heel waardevolle elementen in zich.

Maar tegelijk zijn ze met dat alles een beetje doorgeslagen. Hebben ze zo’n complex systeem opgebouwd, dat het gevaar groot is, dat je je wel houdt aan het systeem, maar vergeet wat de basis van dat systeem is, namelijk je liefde en toewijding aan God.

En een ander gevaar is, dat je anderen gaat beoordelen, op basis van je zelfbedachte systeem. Als anderen zich daar niet aan houden, zijn zij geen ware gelovigen. En, net als sommige mensen in onze tijd, zeggen zij dan tegen deze ‘ongelovigen’: jij verdient het niet te leven. Het is de reden dat vandaag de dag vele onschuldigen worden gedood, en het is ook de reden dat de farizeeën en de Schriftgeleerden op een bepaald moment besluiten ook Jezus ter dood te brengen.

We keren weer terug naar de preek.
Precies daar gaat het mis, bij het uit de bocht vliegen door die goede bedoelingen. En daar ageert Jezus dan ook tegen. Niet tegen systemen en tradities op zich, maar wel tegen systemen en tradities waarvan mensen menen dat zij de waarheid zijn, systemen en tradities die mensen buiten sluiten. Systemen en tradities die maken, dat je het hart van God niet meer hoort kloppen.

En daarom zegt Jezus: al die dingen van buitenaf, al die regels, die tradities, die systemen, die zijn het niet die een mens rein of onrein maken. Die zijn het niet die bepalen of je wel of niet gelovig bent, of je wel of niet aanvaard wordt door God. Nee. Niets dat van buitenaf in de mens komt kan hem onrein maken, het zijn de dingen die uit de mens naar buiten komen die hem onrein maken.

Oftewel:
Wat maken jullie je toch zorgen over die regels, maak je veel meer zorgen over je hart.

En daar is dat hart weer.

En dan denk ik als vanzelf weer aan meneer Visser.

Meneer Visser die de regels van het geloof niet kent. Die de woorden en de structuren niet kent. Die door zijn dementie ook niet meer in staat is om dat ooit nog te leren.
Maar hij heeft wel een hart dat verbinding zoekt met God.

Het menselijk hart.
Jezus lijkt er op het eerste gezicht niet zo positief over te zijn.
Uit dat hart komen immers slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid;…

Je zou na zo’n opsomming bijna vergeten dat er uit een menselijk hart ook nog veel goede dingen kunnen komen. Maar dat moeten we wel voor ogen houden, want anders lezen we deze verzen uit hun context.
Het gaat hier tenslotte om de discussie wat wel en wat niet onrein maakt, en daarom noemt Jezus alleen deze onrein-makende dingen.
Dat er ook goede dingen uit iemands hart kunnen komen wordt ontkend noch bevestigd door deze verzen, het is eenvoudigweg een ander onderwerp.

De dingen die Jezus noemt laten zien dat onreinheid iets moreels is.
Deze dingen, slechte gedachten, afgunst, hoogmoed en ga zo maar door, vernielen je relatie met God.
Niet dat wat je eet, en of je daarbij wel of niet je handen gewassen hebt.

Het is niet de vorm en of je die wel of niet goed houdt, die je dichter bij God brengt of van hem af houdt. Het gaat om je hart. Het gaat God om je hart.

Die dingen die Jezus noemt, die slechte dingen die uit je hart kunnen komen, daarvan moeten we zorgen dat we ze geen ruimte te geven. Maar het zou nog het beste zijn als ze eenvoudigweg helemaal uit ons hart verdwijnen.

Echter, hoe doe je dat…?

In Psalm 62 lezen we daarvoor een duidelijke tip: open je hart voor God.

Vertel aan God alles wat er in je hart leeft. Alle goede, maar ook alle slechte dingen. En vraag of God met zijn Geest er doorheen wil waaien en alle rommel, alles wat je van binnenuit onrein maakt, wegneemt.

En als u denkt: dat kan ik niet, dat lukt me niet, denkt u dan aan meneer Visser.
U hoeft geen bepaalde vorm te kennen, geen ingewikkeld ritueel of een handboek vol regels. Alles wat u hoeft te doen, is tegen God te vertellen wat er in uw hart leeft. En hem te vragen daar iets aan te doen.
Open je hart voor God.
Dat mag iedere keer als je denkt dat er iets mis is, maar het mag zeker ook vaker. Vertel God wat er in u leeft. En overleg met hem hoe het in orde kan komen.

U zult merken dat dit u een vrijer mens maakt.
Het kan een opstap zijn naar een leven zonder angst.
U zult merken dat als u uw hart opent voor God, er veel ten goede zal veranderen.
Misschien zit u daarna wel voor altijd anders in de kerk,
omdat u ontdekt dat dat een vorm is om uw hart te laten spreken.
Of misschien komt er na het openen van uw hart een andere vorm in u op waarin u uw vernieuwde leven wilt vieren.

Als dat hart, dat open hart voor God, maar de kern blijft.

Een tijdje na ons gesprek over het bidden vroeg meneer Visser aan mij of hij ook naar de kerk mocht komen, want nu hij was begonnen met bidden, wilde hij dat ook.
“Dominee, mag ik er wel bij horen? Ik ken de liedjes niet en ik weet niet precies hoe het allemaal gaat…” en ik stelde hem gerust en zei dat hij van harte welkom was. Dat ik alles duidelijk uit zou leggen en dat hij zich geen zorgen hoefde te maken. Dat hij er bij mocht horen. Zeker.

En zo geschiedde. Meneer Visser komt nu iedere twee weken heel trouw naar de kerk. Hij parkeert zijn hippe, paarse rollator tegen de wand en gaat zitten op een van de stoelen die klaar staat in de kring. Door de wonderlijke kracht van herhaling zingt hij sommige psalmen en gezangen al mee. En als ik vraag waar hij voor wil bidden, bidden we samen voor ouders die hun kinderen moesten verliezen, voor zijn vrouw, voor zijn kinderen en kleinkinderen.

Ik kijk rond in onze kring. Naast meneer Visser zit een mevrouw die ‘nooit nergens aan gedaan heeft’. Weer daarnaast een mevrouw die altijd streng gereformeerd is geweest. Haar buurman is een overtuigd katholiek, hij maakt een grapje met zijn buurman – een broeder uit de Koninkrijkszaal, een Jehova’s getuige.

Ik kijk rond in onze kring van lieve mensen, en samen geven wij een dikke knipoog naar alle tradities waar we als mensen zo in verstrikt kunnen raken. Alle tradities die soms zo verstopt houden waar het werkelijk om gaat. Ik kijk rond en besef dat het hier gaat om het hart – ons hart, waarin Gods liefde zijn werk doet, ondanks de dementie.

En weet u, soms denk ik wel eens dat we met ons kleine clubje mensen in deze gesloten woonvorm, al een beetje in de hemel zijn gekomen.
En weet u, soms ervaar ik hier in de Hoeksteen hetzelfde, maar het mag wat mij betreft altijd nog wat meer. Stapje voor stapje dichterbij een leven met een open hart naar God, een leven zonder knellende vormen, een leven zonder angst.

Amen

Marcus 7: 1-8 en 14-23
Zondag 2 augustus 2015
Schoonhoven (PG de Hoeksteen)
ds. Annemarie Roding