Want er is goed zaad gezaaid in de akker

Vooraf
Het speelt zich af in een Engels gezin in 2011. Op een dag komt Lulu Renton van groep drie met de opdracht van school mee naar huis: Schrijf een brief aan God. Vraag aan hem: Hoe hebben ze u uitgevonden? Een lastige opdracht voor een kind van zes jaar. Lulu vraagt haar vader om hulp. Die is niet kerks of gelovig, maar stelt voor om de opdracht door te sturen naar Rowan Williams, de aartsbisschop van Canterbury. En zo gebeurt het.

Na weken wachten, krijgt Lulu het antwoord. ‘Beste Lulu, je vader stuurde mij de brief toe en vroeg of ik het antwoord wist. Het is lastig! Maar ik denk, dat God ongeveer zo zou antwoorden:

‘Beste Lulu, niemand heeft me uitgevonden. Maar heel wat mensen ontdekten me en waren diep verwonderd. Ze ontdekten me, toen ze om zich heen keken in de wereld en bedachten, hoe mooi en geheimzinnig die was, en zich verbaasd afvroegen waar het allemaal vandaan kwam. Ze ontdekten me, toen ze echt heel stil waren in hun eentje en ze een soort vrede en liefde voelden, die ze niet hadden verwacht.

Toen hebben ze ideeën over mij uitgevonden – sommige ervan zijn verstandig en andere niet echt verstandig. Van tijd tot tijd geef ik mensen aanwijzingen – vooral in het leven van Jezus – om hen te helpen dichter te komen bij wat ik werkelijk ben. Maar er bestond niets of niemand voor mij, om mij uit te vinden. Ongeveer zoals iemand een verhaal in een boek schrijft, zo begon ik aan het verhaal van de wereld en uiteindelijk vond ik mensen als jij uit, die me moeilijke vragen kunnen stellen.’

En dan zou hij de hartelijke groeten doen en ondertekenen. Ik weet dat God meestal geen brieven schrijft. Dus ik doe mijn uiterste best ter wille van hem. De hartelijke groeten, ook van mij.

w.g. aartsbisschop Rowan.

Houden we dit vast in de komende minuten van de preek. In het leven van Jezus geeft God ons een aanwijzing, om ons te helpen dichter te komen bij wat Hij werkelijk is.

Uitleg

‘Het is met het koninkrijk van de hemel als met een mens die goed zaad op de akker uitzaaide…’ (Mat 13:24)

Zo begint de tweede gelijkenis, die Jezus vertelt aan de mensenmenigte om duidelijk te maken hoe het is met de werkelijkheid van God. Dat begin is moedgevend. Daar ligt al troost in. Goed, want kiemkrachtig zaad is er gezaaid in de akker van de wereld. Zaad dat ontkiemt in de grond, uitgroeit tot een plantje en als korenaar vruchtzet en rijpt tot de oogst. Maar ook het onkruid is er, in het Grieks ‘zizania’. Uitleggers denken dan aan een in ons land verdwenen giftige grassoort Lolium temulentum, dolik, maar wijdverspreid in Palestina en Syrie in de tijd van Jezus. Oppervlakkig bezien lijkt het op de echte tarwe. En wie zal het een van het ander onderscheiden? Het goede van het slechte, het recht van het onrecht, de waarheid van de leugen. Het groeit en het ligt door elkaar; het is met elkaar verstrengeld. Ja, is er eigenlijk wel verschil? Zolang de situatie in Oost-Oekraine niet duidelijk is, horen we elkaar dood-kalm zeggen, kunnen we de zaken niet goed beoordelen. Zijn in de wereldgeschiedenis en in de actualiteit de gebeurtenissen soms niet moeilijk te analyseren? Liggen in onze samenleving en in ons eigen leven recht en onrecht, waarheid en leugen niet dicht bij elkaar? Zo vragen we schijnbaar-wijs, maar in werkelijkheid houden we onszelf gemakzuchtig de lastige vragen van het lijf.

Betrouwbaarheid en bedrog, waarheid en misleiding. Já, zegt dan deze gelijkenis, om de een of andere reden wil de ongemakkelijke boodschap niet tot ons doordringen. Er is wel degelijk verschil, ook al kunnen wij dat onderscheid nog niet ontdekken. Want er is goed zaad gezaaid in de akker, dat ontkiemt en als kwetsbare jonge plant uitgroeit tot een rijpe, volle korenaar op de dag van de oogst. Akkers ruisend van het koren, brood belovend, vrede voorspellend. Het onkruid(zizania), dat er ook is, (Fransen hebben het over ‘semer la zizanie’: tweedracht, verdeeldheid) mag ons niet misleiden en niet moedeloos maken – ook al tiert het welig en is het nog zo brutaal.

Wij verkeren als mensen steeds in de verleiding om vanwege al dat onkruid al het zaaiwerk te misprijzen en te verachten. Niets deugt er in de wereld. Iedereen is uit op eigen voordeel. Niemand is te vertrouwen. De maatschappij is ziek, de regering denkt aan zichzelf en je wordt aan je eigen lot overgelaten. U kent die klaagzang zonder einde. En ook wij zelf doen er aan mee! Wat voor een nare, zeurderige mensen kunnen we soms zijn. Er is misschien wel aanleiding toe, maar is er ook grond voor? Want nogmaals: zo is het niet. Goed zaad is er gezaaid. Voor ons is het graan misschien niet van het onkruid(zizania) te onderscheiden, maar dat wil niet zeggen, dat het verschil niet bestaat. Uiteindelijk zal dat verschil ook blijken en aan het licht komen. Nu al kunnen we onze klagerigheid aan de kant zetten. We hebben het recht om de waarheid te weten, als het gaat om de moord op de 298 inzittenden van vlucht ML17. En we willen terecht dat de daders gestraft worden. Wij hebben alle reden om heilig verontwaardigd zijn.

‘Terwijl de mensen sliepen kwam zijn vijand onkruid tussen het graan zaaien en vertrok weer.’ (Mat 13:25)

Dat is een gemene actie, een laaghartige daad. Laat dat duidelijk zijn. Maar ondertussen is daarmee ook gezegd: Het onkruid komt op de tweede plaats! Het heeft niet de oudste rechten. Het is er niet vanaf het begin (Gen 1:1). Het is er wel en het kan ons af en toe wanhopig maken. Maar het ligt niet aan de Zaaier of aan het zaad of aan de akker. Dat is allemaal goed. Waar komt dan het onkruid vandaan? Het kwaad, het stuitende onrecht, de narigheden in het leven? Geeft de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe , geeft de Schrift daar antwoord op?

We merken op dat de vijand zijn werk (zijn duivelswerk – zal Jezus later uitleggen) ’s nachts gedaan heeft ‘terwijl de mensen sliepen’. Stiekem, in het geniep dus. Dat is bij God de Heer anders, totaal anders. Die doet al zijn scheppingswerk in het volle daglicht. Er moet licht komen (Gen 1:3). Het licht is zijn eerste en misschien wel zijn liefste schepsel. In dat licht doet God al zijn scheppingswerk. In dat licht mogen wij leven en wandelen; in het geloof en het vertrouwen dat God het duister heeft teruggedreven en het zijn plaats heeft gewezen. Hooguit zijn schaduwen, zijn diepe schaduwen kan dat duister over de schepping werpen. Ook dat mag ons bemoedigen als we bang worden, omdat er geen einde lijkt te komen aan ellende en onrecht, aan gruwel en geweld. Hoe zal het aflopen met ons en onze wereld, met ons leven op aarde? Brengen de gevolgen van het neerhalen van vlucht MH17 mensen tot bezinning of leiden ze tot een vervolg van de smerige oorlog? Wanhopig makende vragen, die ons soms de keel kunnen dichtknijpen. En als we denken aan ons persoonlijke leven. Is er een toekomst voor ons en onze kinderen? Zal het goede en het mooie van het leven het kwade en het lelijke ooit overwinnen?

Wat kunnen we nog meer over die vijand zeggen? Behalve dat hij zijn werk ’s nachts doet, anders dan God, is hij ook naamloos en maakt hij zich snel uit de voeten. ‘En hij vertrok weer’(25) voordat hij gezien kon worden. Dat is typerend. Nooit heeft iemand het kwaad gedaan. Wegwezen, altijd weer – dat tekent de boosdoener. Hij zorgt niet voor wat hij gezaaid heeft, zoals een goede boer dat doet en zoals God zijn schepping onderhoudt en begeleidt tot aan de dag van de oogst. Wegwezen – dat is het wat deze vijandige mens typeert. Maar daaraan zit (vreemd genoeg) ook een goede kant. De aanstichter van het kwaad, de zaaier van het onkruid(zizania) heeft op het akkerland van God geen vaste voet. Hij sluipt binnen als een dief in de nacht en hij is ook weer snel verdwenen. (Ergens staat in de bijbel te lezen, dat de satan weet dat hij maar weinig tijd heeft.) Nooit heeft hij op aarde zonder haast gewandeld, zoals Jezus dat wel heeft gedaan.

Daarom is die vijand van die mens, die goed zaad op de akker gezaaid heeft, ook geen gelijkwaardige partij voor hem. De gelijkenis laat het ons horen, fluistert het ons in. De overmacht van die mens die goed zaad zaaide, mag ons opvallen. Hij toont zich de meerdere van zijn vijand. God laat zich door het kwaad niet verrassen, niet overrompelen, ook al vergaat ons horen en zien in de verschrikkingen van de geschiedenis en in de drama’s van het leven. Zijn vijand komt te laat…ja, een eeuwigheid te laat! Niets zal dan ook de oogst verhinderen. We kunnen dat vaak zo niet beleven, maar hier wordt ons dat in het oor gefluisterd en op het hart gebonden als een belofte; door deze gelijkenis, in de Schrift als geheel.

Dat de Heer van de akker de anderen de baas is, blijkt ook in het tweede deel van de gelijkenis. De knechten willen het onkruid bijeenhalen uit zorg om het goede graan en uit ergernis om het onkruid,(waarover Gods regen regent en Gods zon opgaat net als over de goede tarwe.) Maar dat verbiedt die Heer en hij zegt: ‘Nee, want dan zouden jullie met het onkruid ook het graan lostrekken. Laat beide samen opgroeien tot de oogst.’(Mat 13:29). Pas in de oogsttijd zal hij aan de maaiers het bevel geven: ‘Wied eerst het onkruid, bindt het in bundels bij elkaar en verbrand het. Breng dan het graan bijeen in mijn schuur.’(Mat 13:30) De scheiding tussen het onkruid en de goede tarwe wordt uitgesteld. Het oordeel wordt nog opgeschort. Het is niet de taak van knechten om die scheiding te voltrekken. Tot het oordeel zijn zij niet bevoegd. Want het goede graan zou met het onkruid samen uitgerukt en vernietigd kunnen worden. De Heer van de akker spaart het onkruid ter wille van het graan, zoals God zelf de wereld spaart omwille van het goede zaad dat gezaaid is in de akker van onze wereld. Ja, vanwege de ene rechtvaardige die zich bevindt en zich begeeft tussen de vele onrechtvaardigen, houdt God deze wereld in stand.

Wij kunnen deze gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe misschien typeren als de gelijkenis van de liefde van God, die veel kan hebben, de gelijkenis van het uiterste geduld van God. Of nog sterker gezegd: van de ingehouden woede van God. Hij laat de dolik opgroeien samen met de goede tarwe. Voert God een gedoogbeleid, omdat Hij niet anders kan? Omdat God machteloos staat tegenover de kwaadwillenden en de boosdoeners? Het kan er soms op lijken. Of voert Hij zijn beleid vanuit de overmacht van zijn duldende liefde? Schort Hij zijn oordeel (want dat komt zeker, weet Jezus) tijdelijk op? Dat laatste ligt in de lijn van de boodschap van het NT. Zondaren krijgen nog een kans, krijgen nog de tijd om zich om te keren en op een andere manier te gaan leven.

Nu, dat kan in de beeldspraak van deze gelijkenis niet. Het onkruid blijft onkruid tot aan de jongste dag. Dan zal het in vuur vergaan. Maar zo staat het met de mensen niet. Die kunnen wel met onkruid vergeleken worden, maar ze zijn dat niet. Zij kunnen zich omkeren van hun boze wegen(2 Kon. 17:13) en zij kunnen gered worden in de tijd van het geduld van God. Daartoe is Jezus op aarde gekomen: om zondaren te redden, om tenminste een paar bundels onkruid uit het vuur te rukken en binnen de halen in de schuur van God. Wij leven volgens de prediking van het NT in de tijd van het geduld van God, de tijd van zijn liefde die veel kan verdragen. God spaart ons en onze wereld omwille van zijn Zoon. Hij is het goede zaad gezaaid in deze akker. Tussen al het onkruid(ta zizania) bevindt zich deze rechtvaardige. En dat betekent hoop voor ons, die zelf vaak zo weinig verschillen van het onkruid. Hoop die leven doet en ons doet volhouden in de nood van het leven en in de uitzichtloosheid van de wereld tot aan de dag van de oogst. Vanwege het goede zaad gezaaid in de akker, vanwege de Zoon van God die ons gezocht en gevonden heeft, mogen we die dag met vreugde en vertrouwen en met een opgeheven hoofd tegemoet zien en tegemoet leven – en wanneer nodig alles ervoor op het spel zetten. God geve ons alles, wat we als gemeente van Christus nodig hebben om die taak in de wereld en in Schoonhoven en Willige Langerak te kunnen vervullen.

En zo zeker als de vijand van God te láát gekomen is, zo zeker zal het kwaad en de goddeloosheid van de aarde worden weggedaan. De wereld hemelsbreed zal dan goede aarde zijn (NLB 650). Soms ervaren we dat al – een soort vrede, die we niet hadden verwacht. In elk geval mogen we in dat verlangen en in die gegronde verwachting onze dagen leven. Zingend en hopend, getuigend en soms strijdend, in goed vertrouwen en met het geduld van de liefde. Zo worden we zelf nog zaaiers van goed zaad op de donkerste plekken van deze aarde.

Ds. Chris Koole

Matteüs 13 : 24-43