Wat bezielt ze toch?

Steeds vaker horen we van mensen die voortgedreven worden door een gewelddadige ijver. Een drang om mensen te doden, verwarring te zaaien. Afgelopen week vond in Turkije de zoveelste terreuraanslag plaats. Regeringsleiders zijn machteloos tegen fanatieke strijders met bomgordels en een fascinatie voor bloed en dood. Even ligt alles plat, maar tegelijk gaat het leven ook gewoon weer door. Vakanties waren al geboekt, gaan we wel of gaan we niet. Alsof we er al aan gaan wennen, aan die voortdurende dreiging. Aan de onzekerheid.

Dagblad Trouw portretteerde afgelopen week twee extremistische mannen die gederadicaliseerd waren, zoals dat dan heet. De één rechts-extremistisch, de ander vanuit een islamitische overtuiging. Mannen met een enorme boosheid in zich, die ze kwijt konden in geweld, in haat en verzet. Gewone mensen die voor een extreme overtuiging gewonnen worden. Overijverig en activistisch zijn, zich gedrongen voelen om uit te schakelen wie anders denkt dan zij.

Saulus was er ook zo één, vertelt Lucas. Een zeer extreme, moordzuchtige man die het voorzien had op christenen. Gedreven door een innerlijke woede. Als randfiguur was hij al zichtbaar geworden bij de steniging van Stefanus, die gedood werd vanwege zijn vertrouwen op God. En nu komt Saulus volop in beeld. Blazende dreiging en moord, zegt de oude vertaling. IJzersterk beeld. Van een redeloos dier dat klaar staat om toe te springen, om te verslinden wie op de zijn pad komen.

Saulus vraagt legitimatie aan de religieuze leider om christenen uit Damascus gevangen te nemen. Mensen van de weg, worden ze genoemd. De weg van Jezus waarop zij wandelen. En waarop Saulus hen wil belemmeren.

Psalm 2 wordt hier zichtbaar, we zongen het net. Wat drijft de volken, de machtigen. Wat bezielt ze toch? Ze zetten zich op tegen God en zijn gezalfde. Dat is wat hier gaande is. En wat nog altijd gaande is. Waar ijveraars voor een heilige zaak, een vermeende heilige zaak, alles doen om christenen uit de weg te ruimen. Waarmee hun God, de God van Israël zelf wordt vertrapt.

Maar Saulus krijgt toestemming en gaat op weg naar Damascus. De stad die ook vandaag nog hevig belaagd wordt. Vorige maand nog een dubbele aanslag in Damascus, een van de oudste steden in Syrië. Duizenden jaren terug profeteerde Jesaja over de verwoesting van Damascus. Wat in 723 voor Christus ook daadwerkelijk gebeurde. En nu in Handelingen 9 is ze opnieuw onderdeel van de strijd. En vandaag, anno 2016, nog steeds.

Het roept grote vragen op naar de strijd die er gaande is. En de vraag of dit een strijd is tegen God zelf, tegen zijn Gezalfde, Jezus onze Heer.
Een strijd die Saulus in ieder geval voerde. En die alleen door God zelf kon worden afgebroken.
Onderweg naar Damascus komt als een bliksemflits licht uit de hemel. Licht omstraalt Saulus, als was het de kerstnacht. Maar nu geen engelenkoor dat zingt van vrede op aarde. Maar de stem van de Heer die hem roept.

‘Saul, Saul’. In het Hebreeuws wordt hij aangesproken. Aangeklaagd, beter gezegd. ‘Waarom vervolg je mij?’ En bevend van angst, terneer gestort en liggend op de grond, stamelt hij: ‘Wie bent U Heer?’

Alles zakt ineen. Daar ligt hij met zijn brieven van de priester. Gerechtigd door de religieuze leiders om te doen wat hij ging doen. Maar als God in het spel komt, is zo’n brief niet meer dan een zielig vodje. ‘Wie bent U Heer?’ stamelt Hij. Beangstigend moet het zijn. Niemand te zien. Enkel een stem te horen. En ze vervallen in sprakeloosheid. Saulus en de mannen die bij hem zijn.
Er valt niets meer te zeggen, want de Heer is aan het woord. ‘Ik ben Jezus die jij vervolgt.’

Er is veel sprakeloosheid. Niet zozeer dat er weinig gezegd wordt, eerder teveel. Maar juist dat maakt soms zo zichtbaar hoe weinig we te zeggen hebben. In een politiek debat. In het hele gebeuren rond de Brexit. Waar in de verwarring altijd wel iemand grote woorden wil spreken. Maar die kunnen maar nauwelijks onthullen dat regeringsleiders sprakeloos zijn. Niet weten wat te zeggen, wat te doen.

En soms ook in de kerk. Waar we soms zo ingeklemd zitten tussen het leven van alledag, de waan van de tijd, en dat vreemde woord van God waar we door aangeraakt zijn, maar soms zo mee worstelen. Dat we niet weten hoe we zijn Naam zouden belijden. Om in Christus naam elkaar te vertellen van genade en bevrijding. Van hoop en verwachting. Dat we door sprakeloosheid bevangen het misschien wel veel vaker over andere dingen hebben dan waar het echt over zou moeten gaan. Over de naam van Jezus Christus, hoog verheven, Koning met een doornenkroon.

Om Mijn naam te torsen
God verheft zijn stem, en zijn vijanden zwijgen. Maar zo genadeloos als mensen zijn, zo genadeloos is de Heer niet. ‘Sta op Saulus.’ En Saulus staat op. Als een voorbode van Pasen, want het wordt Pasen in zijn leven. Maar eerst zijn daar die drie dagen. Drie dagen zonder eten en drinken. En zonder licht in zijn ogen. Als was hij in het graf. Diepe duisternis.

Alles is hem uit handen geslagen. De dreiging en de moordzucht, er blijft niets van overeind voor Gods aangezicht. Dat moet ook heel helder zijn. Van terreur en geweld, van agressie naar God en zijn mensen, blijft niks staande, als God zich ter sprake brengt. Het is niet de weg die God wijst. En Hij roept het rigoureus en hartgrondig een halt toe.

De gruwelijke opdracht die Saulus dreef, wordt verbrijzeld. Er komt een roeping voor in de plaats. Letterlijk, door God geroepen. Saul, Saul!
Het zwaard zal hij niet meer dragen, maar de Naam van Christus. Saulus wordt geroepen om Christus’ naam te torsen, zo spreekt de Heer. Publiekelijk getuige te zijn van Jezus’ dood en opstanding. Om daarover te spreken. De sprakeloosheid te doorbreken en Gods Naam hoog te houden.

Het gaat niet meer om Saulus. Het gaat om de naam van God zelf. Hij is de bron van Saulus’ nieuwe roeping. Alles wat hij doen zal en zeggen zal, ligt onder het beslag van die ene naam. Van Hem die dood was, maar Hij leeft. En als Hij in je leven komt, dan wordt je in het licht gezet. Barmhartig licht. Ontdekkend licht ook. Niets houd je meer overeind. Maar met Christus Naam ontvang je wat nodig is. Hij is de bron van je bestaan.

En zo wordt Saulus onherroepelijk in dienst genomen. Hij heeft niet eens te kiezen. God stuwt hem voort en neemt hem op in zijn plan. En Saulus is als Paulus één van de meest grote getuigen geworden van het goede nieuws van Jezus Christus. Niet langer in dienst van de overheid , van religieuze leiders, maar in dienst van de Heer. Een dienst die geen succes brengt, om het cynisch te zeggen. Geen bloedige resultaten van vele gewonden en doden, van ontwrichtte samenlevingen en bange mensen. Nee, dat is niet van God. Die taak van Saulus is een halt toegeroepen.

Maar een roeping waarbij, wonderlijk genoeg, Saulus zelf zal moeten lijden. Omdat hij bij Christus hoort. En Christus presentie in de wereld, Jezus aanwezigheid is getekend door het kruis. Door zijn wonden. En wie zijn Naam draagt, draagt dat met zich mee. Torsen, zegt de Griekse tekst. De Heer zegt: Hij zal mijn naam torsen. Dat heeft iets in zich van een zwaarte en een gewicht. Het is geen kleinigheid. Wie in het spoor van Jezus gaat, gaat in een spoor waar lijden niet vreemd is. Lijden om Christus wil.

Paulus heeft zwaar geleden voor zijn Heer. Gevangenschap was hem niet onbekend. Haat van medeburgers was zijn lot. Verworpen worden uit de stad. Zich moeten verantwoorden voor koningen, regeringsleiders. En ook in de gemeentes die hij stichtte was hij niet altijd geliefd.

Maar door dat lijden heen, is het Pasen geworden voor Paulus. Handelingen 9 klinkt als een Paasgeschiedenis. Want steeds opnieuw mag Saulus weer opstaan. Op bevel van de Heer. Hij richt hem op van de grond. Sta op Saulus. En hij wordt in een kring van volgelingen geplaatst. De trouwe Ananias, die doodsbang was voor Saulus, gaat naar hem toe en legt hem de handen op. Broeder, zegt hij dan. Ontroerend is dat. Van vijand wordt Saulus tot broeder. Omdat hij een broeder van Christus is geworden.

De kerk en de Naam
Zou zo de kerk als Saulus niet geroepen zijn om de Naam van onze Heer te torsen. Te dragen op onze schouders, te koesteren in onze handen, te belijden met hart en mond. Niet voortgestuwd door bekeringsijver of dadendrang. De kerk moet toch dit en zal toch dat. Opgejaagd door innerlijke drijfveren, die vooral heel veel over onszelf zeggen en niet zo heel veel over God.

Maar geroepen om zijn Naam te torsen, voor het oog van alle volken, van koningen en keizers. Zodat dat het eerste is wat de kerk kenmerkt. De Naam van Jezus Christus. Onze Heer aan wie wij ons toevertrouwen, met hart en ziel.

In de roeping die Saulus ontving, het torsen van Jezus’ naam, wordt sterk zichtbaar hoe onder deze bekeringsgeschiedenis, de geschiedenis van Goede Vrijdag en Pasen verborgen ligt. Zoals Saulus Gods naam moet torsen, zo torste Jezus het kruis. Het is hetzelfde woord dat gebruikt wordt, bastazoo, torsen, dragen. Van een gewicht, een loden last.

Het zwaarste heeft Christus zelf gedragen. Maar in zijn spoor zal lijden en bespotting ons niet vreemd zijn. De naam van Christus in de wereld draagt altijd sporen van lijden. En daarom dragen wij als christenen die sporen ook. Saulus heeft er nooit vreemd van opgekeken, dat de haat die Christus ten deel viel, ook op hem afstraalde. Die gevangenschap, de stokslagen. En vele christenen ondergaan datzelfde lot als hij.

Fysiek lijden voor Christus, wij kennen dat niet zo. Maar in een andere zin toch wel? Wat kun je er aan lijden dat mensen die je lief zijn, onze God ontkennen. Dat ze niet met Hem willen leven, Hem bespotten. Jou bespotten misschien. ‘Geloof je dat nog?’
Dat kan verschrikkelijk veel pijn doen. En je gebed tot God wordt er misschien des te sterker door. O Heer, laat Uw naam niet ten onder gaan. Breng hen terug bij U.

En wat kun je lijden aan de kerk. Waar soms zoveel verwarring heerst, en zoveel wat al te menselijk is. Het kan pijn doen dat je zoveel mensen mist, die eerder aan de kerk verbonden waren, maar het geloof hebben afgezworen. Dat de kerk naar de marge verdwijnt, en dat jonge en oude mensen soms helemaal niet meer weten waar ze het zoeken moeten. Wat ze aan moeten met de kerk, met de Bijbel.

Is dat niet iets van lijden vanwege je verbondenheid met Christus?

Hij droeg het kruis. En wij dragen zijn Naam. Letterlijk, als je christen genoemd wordt. Maar in heel je leven, als je de weg van God wilt gaan. Houd Zijn naam voor ogen. Draag Hem als een banier boven je hoofd. Want Zijn Naam is onze bescherming en onze hoop. Nooit meer zal Hij van ons wijken.

Bekering
Gij hebt het hoog geheim doorbroken, Here Jezus
Tussen ons en den Vader, naar Uw Woord
mogen wij zonder zonde zijn en nieuwe wezens
wat er ook in ons leven is gebeurd.

Ik deed, van alles wat gedaan kan worden,
het meest misdadige – en was verdoemd.
Maar Gij hebt God een witte naam genoemd,
met die van mij. Nu is het stil geworden,
zoals een zomer om de dorpen bloeit.

En moeten ook de bloemen weer verdorren:
mijn lenden zijn omgord, mijn voeten staan geschoeid.
Uit Uwe Hand ten tweeden maal geboren,
schrijd ik U uit het donker tegemoet.
(Gerrit Achterberg)

Amen

Zondag 3 juli 2016, 9.30 uur
Handelingen 9: 1-22
PG de Hoeksteen Schoonhoven
Ds. Hanneke Ouwerkerk