Welkom thuis

Een man ene een vrouw waren al jaren getrouwd. Maar de laatste tijd liep het niet erg lekker tussen die twee.  Over de kleinste dingen konden ze enorme ruzie maken. En zo gebeurde het dat ze beiden besloten dat ze maar beter hun mond konden houden. Ze begonnen te zwijgen. Eén dag, twee dagen, drie dagen. Het werd één week, twee weken, drie weken. Geen van beide wilde degene zijn die de stilte verbrak.

Zo werd die stilte in hun huis werd steeds zwaarder. Je kon hem bijna voelen.  Op een dag ging de man vroeg naar bed. Hij moest de volgende dag hele vroeg op, want hij moest op zakenreis. Hij wilde zijn wekker zetten, maar dat lukte niet: die was kapot. Wat nu? dacht hij. Hij moest de volgende dag echt om 5 uur opstaan, want hij moest op tijd op Schiphol zijn om zijn vlucht te halen. Of hij wilde of niet, hij moest zijn vrouw vragen om hem op tijd wakker te maken. Maar hij wilde niet de eerste zijn die iets zei. En dus schreef hij toen op een papiertje: ‘Maak me alsjeblieft om vijf uur wakker. Ik moet beslist op tijd opstaan om het vliegtuig te halen.’ Het briefje legde hij onder de spiegel. Ze zou het zeker vinden.

De volgende ochtend werd de man wakker en tot zijn grote schrik ontdekte hij dat het al half negen was! Zijn vliegtuig was al lang opgestegen. Woedend sprong hij uit zijn bed. Wat was hij toch met een vreselijke vrouw getrouwd! Ineens zag hij een papiertje op zijn nachtkastje liggen. Hij pakte het op en las: ‘Het is vijf uur, wakker worden!’   (Ik vond dit verhaal in Geen tijd voor haast, een boek van docent, fotograaf en verhalenverzamelaar Jan Bot, uitgegeven door Kwintessens)

Iedereen is wel eens boos of nijdig. En een poosje je mond houden kan nooit kwaad. Maar als je helemaal stopt met tegen elkaar te praten, naar elkaar te luisteren, dan doe je eigenlijk alsof die ander niet meer bestaat. Dan woon je wel samen onder één dak, maar dan is je huis geen thuis meer. Dan moet er iets gebeuren om van je huis weer een thuis te maken, waar je kan leven!  Laten we hopen dat die man en die vrouw na dat gedoe met die papiertjes  eens flink hebben gelachen samen, en dat ze daarna weer met elkaar zijn gaan praten. Dat ze zijn gestopt met hun kinderachtige gedoe. Laten we hopen dat ze daarna allebei gewoon hun best zijn gaan doen om zich thuis te voelen bij elkaar.

De bijbel staat vol verhalen over mensen die op zoek zijn naar een huis of een thuis. Op de Ichthus en de Rank hebben jullie in de afgelopen twee weken naar die verhalen geluisterd. Vaak moesten de mensen in de Bijbel een lange reis maken om een thuis te vinden, of thuis te komen. Zoals Jacob, of zoals Ruth en Naomi, of zoals de Verloren Zoon. Soms hoeven mensen er helemaal niet voor op reis te gaan om thuis te komen. Dan gaat het er alleen maar om dat ze op hun eigen plek anders leren kijken en geloven en leven. Zoals bijvoorbeeld Zacheüs, die kleine tollenaar.

Of zoals de oudere broer van de Verloren Zoon. Die oudste jongen was altijd thuis gebleven, maar hij leek op die man en die vrouw die elkaar een beetje doodzwegen. Toen zijn broertje terugkwam naar huis, wilde hij ook niet met hem praten. Laat staan feestvieren. Hij was boos, en ging klagen bij zijn vader die zijn lastige broertje meteen weer in zijn armen had gesloten. Maar hij ging niet met zijn broer zelf praten. (Wel over maar niet met elkaar praten – waarom doen we dat toch altijd weer?) Eigenlijk was hij boos op alles en iedereen. Hij moest eerst leren om zijn boosheid af te leggen, voordat hij zich weer thuis kon voelen in zijn eigen huis, met zijn eigen familie. Maar of dat hem gelukt is? Het is een van de moeilijkste dingen voor mensen: om een einde te maken aan de boosheid in je hart. Het is een van de moeilijkste dingen om van de scherven van ons hart geen dolk te maken – zoals de schrijfster Vonne van der Meer eens schreef in een van haar boeken.

Daarom is het einde van de Bijbel zo mooi. Helemaal aan het eind van de Bijbel staat dat prachtige verhaal van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde die we zelf niet kunnen maken, en die God ons daarom zal geven. Een nieuwe aarde zonder boze mensen die de hele dag zwijgen, of juist schreeuwen. En op die nieuwe aarde daalt dan uit de hemel een nieuw Jeruzalem neer. Eigenlijk is Jeruzalem een van de lastigste steden op aarde.

Er is werkelijk altijd strijd en ruzie en verdeeldheid. Tot op de dag vandaag. Helaas. Maar eens komt  de dag, zegt de Bijbel, eens komt de dag dat God een einde zal maken aan dat geruzie. Dan zal God een nieuw Jeruzalem stichten. Een prachtige, schitterende stad, met straten van goud en edelstenen. Maar vooral: een stad waar vrede heerst en waarin alle mensen die er wonen kunnen zeggen: ‘He he, hier kan ik me eindelijk thuis voelen.’ Nu ja, we hebben net in het toneelstukje gezien hoe vlot en vriendelijk er in die nieuwe stad vergaderd wordt… Zo ver is het nog niet. We wachten en hopen op de dag dat God ons die nieuwe stad zal geven. Maar terwijl we op het nieuwe Jeruzalem wachten, blijven we natuurlijk niet stil zitten. We proberen God een handje te helpen. We proberen alvast een begin te maken met het bouwen van dat nieuwe Jeruzalem. Daarvoor hoeven we niet eens naar Israel te reizen. We kunnen gewoon thuisblijven in Schoonhoven en Willige Langerak. We kunnen gewoon hier, op school, op straat, in de speeltuintjes, op het voetbalvelden, in de kerken, in onze huizen ons best doen om alvast kleine stukjes hemel op de aarde te maken. En wat wij beginnen, dat zal God eens afmaken. Dat heeft Hij beloofd. Uit die belofte leven wij.

Ik vraag me wel eens af hoe het nu verder is gegaan met die Verloren Zoon en zijn oudere broer. Zijn ze weer met elkaar gaan praten, of hebben ze met die stomme briefjes gewerkt, zoals de man en die vrouw aan het begin van de preek? Ik hoop dat ze de volgende ochtend, aan het ontbijt, toch weer wat tegen elkaar hebben gezegd. Misschien is het zo gegaan. Ik denk dat daarna de jongste zoon het eerst begon te praten.  ‘Jij nog wat melk?’ De oudste hield zwijgend zijn beker op.  De jongste goot de beker vol, terwijl hij zei: ‘Nu ja, ik ben ook wel stom geweest, natuurlijk.’ ‘Hmm,’ reageerde zijn broer. ‘Ik heb mijn lesje wel geleerd, hoor.’ ‘Dat mag ik hopen.’   Vanaf nu ga ik net zo serieus leven en werken als jij!’   De oudste broer zette zijn beker neer en zei: ‘Altijd maar hard werken is anders ook niet alles hoor. Misschien moet ik eens wat meer plezier maken, zoals jij…’ ‘Echt? Nou, als je wilt heb ik nog wel een paar adresjes voor je waar je eens naar toe kunt gaan…’ Voor het eerst sinds zijn terugkomst keek de oudste zijn broer echt aan. Hij zag dat zijn broertje veranderd was. Hij zag eruit alsof hij dingen had gezien en meegemaakt, waar hij nooit over zou kunnen praten. ‘Maar ik blijf voortaan hier op de boerderij,’ zei de jongste. ‘Oost west thuis best.’ En toen, terwijl ze elkaar over de ontbijttafel aankeken, barstten ze allebei opeens in lachen uit. Toen ze uitgelachen waren tilde de oudste zijn beker melk op alsof het een glas wijn was en hij zei: ‘Broertje, welkom thuis.’

Amen.

Ds. Frans-Willem Verbaas