Claudia van Gessel

Wie is wijs, als het er op aan komt?

Ik heb over je gehoord dat de geest van goden in je woont, –
en verlichting, scherpzinnigheid
en buitengewone wijsheid bij jou te vinden is;
(Daniel 5: 14)

 Zo spreekt koning Belsassar tegen Daniël. In de dagen dat niemand meer weet wat wijs is. Dagen waarin duisternis het licht dempt, een koninkrijk op springen staat en onverstandige mensen als wijzen worden aangemerkt. Het zijn de laatste dagen van het rijk van Belsassar, een van de nazaten van koning Nebukadnesar, die een gouden beeld van zichzelf liet maken. En voor je ogen zie je een koninkrijk, een wereldmacht, afbrokkelen tot er nauwelijks meer iets van over is.

In die dagen herinnert een vrouw, de koningin, zich: er is één mens die wijs is. Een gabor, staat er, een gabber, een kerel. Eén kerel in wie de Geest van de heilige goden woont. Wat een weldaad, temidden van alle verwarring en dwaasheid; een mens die verwarring wegneemt en raadsels kan verhelderen.

Maar eerst richt Belsassar een drinkgelag aan. Mannen met macht schuiven aan en de wijn maakt ze beneveld en overmoedig. Belsassar beveelt dat de gouden en zilveren vaten uit de tempel van Jeruzalem, naar het paleis worden gebracht. Tijdens de vele veroveringen roofde men vaak ook tempelschatten mee. Zo kwamen de tempelvaten uit de Joodse tempel terecht in een heidens paleis. Overmoedig laat hij de kostbare, gewijde vaten volschenken met wijn, ondertussen zijn ook de vrouwen en bijvrouwen opgetrommeld en de dronken machthebbers slurpen wijn uit de heilige vaten. Dronken roepen ze alle goden aan die ze maar kennen en noemen hun namen.

Alles wordt ontheiligd. Het is aangrijpend als je het leest, en hoort. Het doet me denken aan de dwaze woede van IS-strijders, die eeuwenoude godshuizen stukslaan, prachtige kerken verpletteren. Alles voor hun eigen heerschappij, hun eigen blinde macht waar alles voor moet wijken.

Hoe kan dat, hoe ontstaat dat, dat een mens zo achteloos omgaat met wat van waarde is? Wat brengt een mens er toe om dat, wat toebehoort aan God, dat wat iets vertegenwoordigt van zijn aanwezigheid, van zijn nabijheid, om dat met kracht van zich af te werpen. Nee dat niet alleen, maar om dat ook te willen vernietigen, of te willen vertrappen. Is dat overmoed, ik heb die God niet nodig? Of is het ook iets van weerzin; ik wil alle macht en ik duld niemand boven me. Of is het gewoon onwetendheid?

Er wordt soms wat schamper over gedaan, of achteloos. Over liturgie, over hoe we in een eredienst, in een viering, samenkomen en hoe alles leidt naar een ontmoeting met God. Blijkbaar kan de vorm, kunnen de gebruiken, soms ook iets belemmeren van onze toegang tot God.

Terwijl een stil gebed, of het water in het doopvont, terwijl de avondmaalsbeker, of het kruis aan de wand, allemaal op hun eigen plek in de liturgie, iets representeren van de tegenwoordigheid van God. Hoe Hij zich kennen laat en onder ons wil wonen. In muziek, in taal, in beelden ook, zoals dat kruis, in gebed en in stilte.

Het is niet om het even, wat we zeggen en zingen, hoe we samenkomen en hoe we vieren. Het is een kostbaar geschenk dat God zich onder ons begeeft. En we hebben een ruimte nodig waarin wij dat geschenk kunnen ontvangen, en beleven.

Van daaruit begrijp je misschien iets van de kwaadaardigheid, van de ongelofelijke arrogantie van zo’n koning die achteloos, verachtelijk, wijn in de tempelvaten schenkt en daar met zijn zatte kop uit drinkt. Alsof hij spuugt op God.

Tot die hand zichtbaar wordt. Waarvan de vingers schrijven op de muur. Woorden die niemand begrijpt. Maar Belsassar verschiet van kleur, zijn benen worden als was en hij zakt in elkaar. Feilloos voelt hij aan, die dwaze man, maar dit voelt hij wel aan, dit zijn woorden die iets onthullen wat mijn zaak geen goed zal doen. 

God laat zich ook niet zomaar verdrukken. Hij doet van zich horen middels woorden die verschijnen op de wand. En de koning valt stil. Eindelijk. Wat een verademing moet dat zijn. De koning valt stil en heeft geen woord meer in te brengen. Met knikkende knieën staat hij daar. Niemand weet iets te zeggen. Een halfslachtige poging wordt gedaan om de sterrenkijkers en wijzen van het land op te trommelen, ze er toe te dwingen de woorden te verklaren. Maar alle wijsheid van de wereld, is dwaasheid bij God. Het helpt ze niks.

Wie is wijs, als het er op aan komt? Ineens blijkt dat koningschap ook niets voor te stellen. Is het leeg en hol achter de schermen.

Ik heb van jou gehoord…

Ik heb over je gehoord , zegt de koning tegen Daniel die in allerijl is opgetrommeld, en nog komt ook,
dat de geest van goden in je woont, –
en verlichting, scherpzinnigheid
en buitengewone wijsheid bij jou te vinden is;
(Daniel 5: 14)

 Waar sta jij om bekend? Wat wordt er van je gezegd? Ik denk dat we dat allemaal best belangrijk vinden. Hoe je overkomt, welk beeld mensen van je hebben, wat ze over je zeggen. Er zijn mensen die jaarlijks voor zichzelf opschrijven: wat wil ik dat er over mij gezegd wordt bij mijn uitvaart? Hoe wil ik herinnerd worden? Wat blijft hangen bij mensen als ze mijn naam horen.

Je kunt wel een bepaald beeld van jezelf neerzetten, bewust of onbewust. Waardoor mensen je bewonderen, of tegen je opzien. Maar wie jij bent als vriend, als collega, als moeder, dat blijft hangen. Wie jij bent in je spreken en in je daden, in de ontmoeting met de ander.

Daniel stond bekend om zijn wijsheid. Wijsheid die niet uit hemzelf kwam, maar waarvan iedereen blijkbaar wist: dat komt van de Geest van goden, zoals men dacht. En uit zijn woorden blijkt, Daniel ontvangt zijn wijsheid van de Geest van God zelf die in hem woont.

Iedereen was het allang vergeten, die Daniel met zijn ware woorden. Pas als alles stil geworden, als de schreeuwende chaos van dronken mannen verstomd is. En iedereen ontluisterd en ontzet bij de brokstukken neerzit. Er misschien langzaam wel iets te dagen van de dwaasheid van dit gebeuren, van de hoogmoed van een menselijke koning.

Pas dan komt Daniel weer in beeld. Door een vrouw die aan hem dacht, zijn naam onthouden had en zijn scherpzinnigheid niet vergeten was. Er is een kerel die door de Geest bezield wordt.

Ik las deze geschiedenis, thuis aan tafel, en ik werd hier zo door getroffen. Temidden van dat walgelijke, overdadige machtsvertoon, die bespotting van God en zijn volk, temidden van dat alles wordt Daniel herinnerd, om zijn wijze woorden en zijn klare taal. Jij, jij kunt duidingen duiden en knopen ontwarren. Het klinkt bijna cynisch, wie kan dat nou? En door de gave van de Geest, is dat mogelijk. Kan God zelf door een mensenwoord spreken en iets nieuws doen horen, wat niemand ooit meer hoort.

Heeft onze tijd, deze verscheurde, bange wereld, dat ook niet broodnodig?

Dat er mensen zijn van wie gezegd wordt: de Geest van God is in hen. Zij kunnen je iets vertellen van wat waar en goed is. Wat is het mooi als wij ons als kerk, als christenen, daar in oefenen. Om Geestdriftige mensen te zijn, in wie de Geest woont, door wie wij ons laten leiden.

Wat heeft de kerk en de wereld zulke mensen hard nodig. Een man, een vrouw, een meisje of een jongen die wijs is. Dat je God ter sprake brengt, zomaar op een achternamiddag, bij je zaterdagbaantje in de supermarkt, op een familiebezoek, of waar je ook bent. Een wijs mens zijn. Die de naam van God noemt, in een god-loze tijd. Dat je woorden spreekt die betekenisvol zijn, die inhoud hebben. En je daden, in al hun kleinheid, in alle eenvoud, kracht hebben, die Geestkracht blijkt te zijn. Omdat het mensen troost, en heelt. En hoop geeft.

En dat er dan, in alle verwarring, een klein knoopje ontward wordt. Een klein raadsel wordt opgehelderd. Als een jongen tegen zijn moedeloze vriend zegt: de wereld gaat niet zomaar ten onder, God is er ook nog, Hij laat ons echt niet zomaar los. Als een oma tegen haar bezorgde kleinkind zegt: meisje toch, ik bid voor jou dat de Heer je beschermt. Of, heel anders. Jij op jouw plek. Dat je in een gesprek met collega’s een hoopvol woord spreekt. Waar iedereen stil van wordt, en van opkijkt.

Taal, woorden, ze zijn zo belangrijk. Meer nog dan beelden, denk ik weleens. Let er maar eens op, hoe er met gespitste oren geluisterd wordt naar elke toespraak van Donald Trump. Hoe zijn woorden gefileerd worden, hoe opmerkzaam mensen zijn op wat hij zegt. Of niet zegt. Let er maar eens op, welke woorden er gebezigd worden door politici, door regeringsleiders, als er weer een aanslag is gepleegd. Die woorden zeggen heel veel over een mens, over deze tijd.

Als jij leeft op de adem van God, als wij ons steeds weer te binnen brengen hoe Hij ons bezielt met zijn Geest, dan kan het zijn dat jou zomaar die gave gegeven wordt. De gave van wijsheid en scherpzinnigheid. Dat jouw woorden en jouw daden iets openen van wat verborgen was. Die iets onthullen van wat niemand begreep.

Knopen ontwarren

Menee, menee, tekel ufarsin. Die mysterieuze woorden, die de wijzen niet begrepen. Of misschien maar al te goed begrepen en niet durfden te vertolken voor de koning. Zou dat ook kunnen? De waarheid spreken is niet altijd comfortabel.

De Aramese woorden die op de wand geschreven werden, zijn een soort drieluik. Ze zeggen zoveel als:

God heeft uw koningschap geteld, en het is uitgeteld, het is voorbij.
Je bent gewogen, en te licht bevonden.
Je rijk zal aan de Meden en Persen gegeven worden.

Daniël zegt de koning zijn ondergang aan. Als balling, als een slaaf uit Jeruzalem meegetroond, niets waard in de ogen van Belsassar. Maar gesterkt door Gods Geest verdraait hij de woorden niet, maakt hij ze niet mooier dan ze zijn. Maar spreekt hij, vast met angstzweet in zijn handen, woorden van Godswege.

Met een enkele pennenstreek is Belsassars koningschap voorbij. Ten einde gekomen. Het was lucht en leegte, en het verdwijnt, als was het niets.

Door de Geest wijst Daniël een andere weg, spreekt hij nieuwe taal, die ze niet eerder gehoord hadden. Of niet eerder hadden opgemerkt. Over God erkennen als de bron van alle leven. Zijn adem, zijn Geest geeft Hij ons om op te leven. Dat besef, zou dat niet een verschil maken? Leven in het besef, God heeft het ons gegeven. Waarin we elkaars gelijken zijn. Niemand is meer, niemand is minder. En ook, God wijst ons wegen om te gaan. Hij legt een wijsheid in ons hart door de kracht van zijn Geest, die nieuw zicht geeft op wat er gebeurt, op wat er gaande is. En Hij geeft ons taal om te spreken. Woorden van hoop om het duister wat lichter te maken.

Zullen we daar in onze gemeente opmerkzaam op zijn. Dat we niet al te snel hetzelfde zeggen als wat iedereen zegt. Maar gespitst zijn op wat echt is, en waar. Dat betekent niet dat je heel slim moet zijn, of heel veel moet weten en snappen. Nee het is veelmeer iets als, God voor het voetlicht brengen. Niet meegaan in een god-loze taal, een taal waar God uit verdwenen is. Maar juist op die plekken waar Hij veracht wordt, de dingen verbinden aan God. Een kind kan dat net zo goed als een volwassene.

Om zo te groeien en te oefenen in wijsheid. En bidden dat de Geest door ons heen werkt.

Voor ieder van ons. Jullie, als ambtsdragers, vandaag voor het eerst, of al langere tijd dat je het ambt draagt. Maar ook u, en jij, op de plek waar je morgen weer bent. In huis, op je werk of op school. Je spreken en handelen gekleurd laten zijn door de heilige Geest. Dat ze van jou zeggen: ik heb gehoord dat jij knopen kunt ontwarren, dat jij iets kunt zeggen wat waar is, wat goed is.

Wat dat dan is? Dat wijst de tijd uit, en het moment. Neem het eens mee voor jezelf, denk er over na. Wat is wijs, wat komt van God?

Dat vraagt dat je weet wat jouw bron is, op welke grond je staat. Mogen wij bezield zijn met Geestkracht, mag wijsheid in ons hart zijn.

In de naam van de Vader, de Zoon en de Geest, amen.

Zondag 27 augustus 2017, 9.30 uur
Daniel 5
(her)bevestiging ambtsdragers
P.G. de Hoeksteen Schoonhoven
Ds. Hanneke Ouwerkerk