Wie wat bewaart, die heeft wat

In de afgelopen kerstnacht moest ik even aan Klaas Hendrikse denken, de predikant die de laatste jaren met zijn boeken Geloven in een God die niet bestaat en God bestaat niet en Jezus is zijn zoon grote schoonmaak houdt in de christelijke geloofstraditie. Ik denk niet vaak aan Klaas Hendrikse. Alleen al vanwege de titels, die mij nogal puberaal en vooral liefdeloos aandoen, heb ik zijn boeken niet gekocht. Omdat ik mijn vakliteratuur toch een beetje bij moet houden, heb ik wel interviews en recensies van zijn werk gelezen. Daarin las ik echt niet alleen maar onzin. Maar zijn toon bevalt me niet, en het is nu eenmaal de toon die de muziek maakt. Maar goed, in de kerstnacht moest ik dus opeens aan Klaas Hendrikse denken. Dankzij Maria. Aan het slot van het kerstevangelie vertellen de herders aan Jozef en Maria wat de engelen over hun pasgeboren kind hebben gezegd. Allen die het hoorden (misschien waren er nog meer mensen aanwezig in de stal) stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, maar Maria bewaarde al deze worden in haar hart en bleef erover
nadenken (Lucas 2:19). Het woord ‘bewaren’ bleef die kerstnacht hangen in mijn geest, en ik bedacht dat Maria precies het tegenovergestelde deed van dat wat Klaas Hendrikse heeft gedaan. Maria bewaarde datgene waarover ze zich verbaasde; ze bewaarde het en bleef erover nadenken. Klaas Hendrikse schrapte datgene waarover hij zich verbaasde, zoals het bestaan van God, of het geheim dat Jezus waarlijk mens was én waarlijk God. Maria of Klaas, bewaren of schrappen – dat waren de vragen die mij de rest van de kerstdagen bezig
hielden. Het is met het geloof als met een boekenkast. Er komt een dag dat sommige boeken je gaan tegenstaan. Ze zijn zo oud. Ze verzamelen zoveel stof. Ze nemen zoveel
ruimte in. En we lezen ze toch niet meer. Dan gaan we opruimen. We brengen ze naar een antiquariaat, naar de bazaar van de kerk, of we zetten ze bij het oud-papier. Maar vroeg of laat kan de dag komen dat we in onze kast zoeken naar juist dat ene boek, en dat we het dan niet meer kunnen vinden omdat we het ooit hebben weggedaan. We wisten toch zeker dat we het nooit meer zouden inkijken of lezen? Maar nu missen we het. Wie had dat kunnen denken? Zullen we ons de moeite getroosten om het boek op de een of andere manier weer op de kop te tikken? Het makkelijkste natuurlijk is, om het er maar bij te laten. Maar waarom hebben we het boek indertijd eigenlijk niet gewoon laten staan, daar in onze boekenkast? Bezorgde het ons dan zoveel last?

De christelijke geloofstraditie is zo’n grote, volle boekenkast, waarin ongetwijfeld boeken staan die u of ik momenteel niet graag lezen. Zomaar een greep uit de boeken van de lastige soort: al dat geweld in het Oude Testament, de bangmakerij voor de hel in sommige nieuwtestamentische verhalen, de maagdelijke geboorte van Jezus waar u zich op dit moment misschien niets bij voor kunt stellen, en misschien klinkt de opstanding van de doden u als iets onbegrijpelijks in de oren, om maar te zwijgen over de opstanding ‘des vleses’. Ferme
lieden als Klaas Hendrikse pakken die lastige boeken dan uit de kast, verklaren ze voor hopeloos verouderd, en gooien ze weg. De boekenkast ziet er daarna een stuk netter uit en de inhoud wordt steeds meer een keurige afspiegeling van de geestestoestand van zijn eigenaar. Onze boekenkast is immers ook het parmantige uithangbordje van onze ziel. Maar tijden en omstandigheden en mensen kunnen veranderen. En het kan zomaar gebeuren dat een bestanddeel uit de christelijke geloofstraditie, dat het ene moment alles heeft van een oud en achterhaald boek, op het andere moment opeens weer uiterst actueel blijkt te zijn, en inspirerend, of troostend. Ik geef u een voorbeeld. Al eeuwenlang weten mensen weinig raad met het boek Openbaring. Al die ingewikkelde, over elkaar struikelende beelden en symbolen, wat moet een verstandig mens ermee? Tot in 1940 in Nederland de Tweede Wereldoorlog begon. Opeens begrepen de meeste mensen moeiteloos wat en wie er bedoeld zou kunnen zijn met het Beest uit de Afgrond (Hitler) en zijn profeet (propagandaminister Goebbels), of met de rossige draak (het nationaalsocialisme) die een barende vrouw (vrouwe Israel, het joodse volk) wilde doden. Nooit is er zoveel uit het boek Openbaring gelezen en gepreekt als
tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het zo ingewikkelde boek was opeens een open boek geworden. Een troostboek zelfs!

Soms is het beter om die boeken waar je al zo lang niet in hebt gekeken, toch maar rustig te laten staan. Gooi ze niet weg, bewaar ze. Zoals Maria die alles wat de herders
haar vertelden, hoe verbazingwekkend ook, in haar hart bewaarde. Want ook voor het geloof geldt: wie wat bewaart, die heeft wat.

Ds. Frans Willem Verbaas