Zal ik in de hemel mijn geliefden terugzien?

Aan Karl Barth werd eens door een bezorgde domineesvrouw gevraagd: ‘Professor, zal ik in de hemel mijn geliefden terugzien?’ Daarop antwoordde professor Barth: ‘Maar niet alleen uw geliefde. Houd er rekening mee dat u ook de mensen tegenkomt op wie u niet zo dol was. Die vervelende buurman, die akelige collega, die waarschijnlijk ook!’

Eén keer in het Marcusevangelie worden de Sadduceeën ten tonele gevoerd, en dan stellen ze direct die moeilijke vraag aan de orde: de vraag naar de opstanding, en hoe het in de opstanding zal zijn. Marcus introduceert hen als volgt: Er kwamen enkele Sadduceeën naar hem toe, volgens de Sadduceeën is er geen opstanding uit de dood.  De Sadduceeën vormden een invloedrijke groepering in de dagen van Jezus. De meerderheid van het Sanhedrin (de joodse raad) kwam uit kringen van de Sadduceeën. Kajafas, de hogepriester, was een Sadduceeër. De Sadduceeën waren afkomstig uit de welgestelde bovenlaag van de bevolking. Oud geld. Mensen die de gelegenheid en de tijd hadden om zich te ontwikkelen, te reizen, te studeren, te lezen. Zij waren beïnvloed door het Griekse denken, de Griekse cultuur, waarin de logos, het logische denken, het rationele denken, centraal staat.

De keurige, ontwikkelde Sadduceeën hadden dan ook weinig op met niet te beredeneren verschijnselen als geesten, engelen, opstanding uit de dood… Dat is niets voor ons soort mensen (vrglk. Handelingen 23: 8). Een bestaan zonder spiritualiteit is ook nogal karig. Je mag best een beetje geloven. Maar het moet natuurlijk niet te gek worden

Tegelijkertijd stonden de Sadduceeën bekend als conservatief. Zoals meestal het geval is met elites. Als het jou goed gaat, wil je dat graag zo houden, conserveren.
Ze geloofden niet in de opstanding – waarom zouden ze ook? Ze hadden het in hun aardse leven al zo goed. Dan heb je misschien wel helemaal geen behoefte aan een opstanding waarin er nog het een ander recht gezet gaat worden. Waarin de eersten de laatsten zullen zijn en de laatsten de eersten… De gedachte dat er iets recht gezet gaat worden kan erg troostend zijn, maar ook erg verontrustend.

Marcus voert de Sadduceeën éénmaal op in zijn evangelie, als ze besluiten om toch eens een discussie met Jezus aan te gaan over de opstanding uit de dood.

De Sadduceeën zetten de discussie in met een vraag over het zogenaamde zwagerhuwelijk. Meester… Mozes heeft ons geleerd… als iemand sterft en een vrouw achterlaat, maar geen kinderen, dan moet zijn broer die vrouw bij zich nemen en nakomelingen voor verwekken voor zijn broer. Er waren eens zeven broers. De eerste nam een vrouw en stierf zonder nakomelingen te verwekken; tweede nam haar tot vrouw en stierf zonder nakomelingen… en zo ging het zeven broers door. Van wie zal zij de vrouw zijn in de opstanding? Slimme vraag!

In Israël gold: een vrouw alleen, dat kon eigenlijk niet.
Het leviraatshuwelijk voorzag in een weduwevoorziening.
En vooral: de naam van de overledene moest voorbestaan, de familie moest voortbestaan. Wij denken in individuen, in Israel dacht men in families en generaties. Als de Messias zal komen, eens, dan moet jouw familie daar toch bij zijn! Opdat uw naam niet worde uitgewist, Dtr 25: 6.
Daarom had Mozes het zwagerhuwelijk ingesteld (vrglk. Dtr 25: 5-10).

Natuurlijk riep dat zwagerhuwelijk allerlei praktische bezwaren op. Wat als die bewuste broer al getrouwd was? Polygamie kwam al minder voor in Jezus’ tijd. Wat betekende dat huwelijk voor de erfenis van jouw al bestaande kinderen? Wat als je een vreselijke zwager had, of als je niet zo dol was op je schoonzus?
In de tijd van Jezus werd het ook nauwelijks meer gepraktiseerd.
Het is geen vraag waarmee die Sadduceeën zelf persoonlijk mee zitten: zo van: moet ik nu wel of niet met de vrouw van mijn overleden broer trouwen? Ze komen niet om echt iets te leren van Jezus – ze willen hem voral een hak zetten, zoals zo vaak het geval is in publieke discussies.

Het antwoord van Jezus valt uiteen in twee delen.

1. Vers 24/25 Dwaalt u niet? U kent blijkbaar de Schriften niet, en evenmin de macht (dunamis/dynamiek) van God. Want wanneer de mensen uit de dood opstaan, trouwen ze niet en worden ze niet uitgehuwelijkt, maar ze zijn als engelen in de hemel.
Nogmaals: het voornaamste doel van een huwelijk in de tijd van de Bijbel was voortplanting. Kinderen betekenen: toekomst.
Maar in de hemel is er geen noodzaak meer van voortplanting. Omdat er geen dood meer is. En geen toekomst. Alleen maar een eeuwig heden.
Wanneer de mensen uit de dood zijn opgestaan, zegt Jezus, zullen ze zijn als engelen… Engelen trouwen niet en worden niet uitgehuwelijkt, en ze krijgen geen kinderen. Net als engelen zijn we geen man of vrouw meer van elkaar, of vrijgezel, of slaaf, of ouder of kind…. We zijn van niemand meer. We zijn alleen van God en met God. Alle menselijke banden zijn opgegaan, opgenomen in de ene allesomvattende (liefdes)band met God.
Er is in de opstanding dus zowel continuïteit (persoonlijk voortbestaan) én discontinuïteit (in de hemel bestaan we op een gans andere wijze).

De kern van het antwoord van Jezus is dat hij de Sadduceeën verwijt dat ze veel te aards en te werelds en te klein denken over de opstanding. De Sadduceeën geven er blijk van, dat ze het leven in de opstanding zien als een voortzetting van de wereld waar zij nu deel van uit maken, en waarin ze het nu zo goed hebben. Hun hemel lijkt sprekend op het leven op aarde, maar dan in een oneindige versie. Zo denken de ontwikkelde Sadduceeën wel heel klein en menselijk en armoedig over de opstanding. En heel conservatief. Het leven in de opstanding is zoveel anders en zoveel hoopvoller en zoveel rijker dan de Sadduceeën kunnen bedenken met hun slimme vragen.

Zien we elkaar dan niet op de een of andere manier terug?
We weten dat dat voor velen een grote troost en een groot verlangen is. Je geliefde terugvinden. Je overleden kindje terugvinden. Je ouders.
We kunnen ons ook allemaal wel allerlei ingewikkelde situaties voorstellen. Een weduwe hertrouwt met een weduwnaar – en wie hoort in de hemel dan bij wie?

Hoe zit het met de mensen die je niet zo heel erg mocht? zoals professor Barth al suggereerde. Als je huwelijk niet zo geslaagd was?
We lezen niet dat Jezus zegt dat wij elkaar niet opnieuw zullen ontmoeten. (Je identiteit, wie je bent, dat valt zo samen met je relaties!). Maar alles zal totaal anders zijn. Onvoorstelbaar anders. De relatievormen die wij nu kennen zullen niet meer het belangrijkste zijn. In de opstanding zullen we niet langer gericht zijn op elkaar zoals we dat hier in dit leven zijn, maar met elkaar zullen we, net als de engelen, gericht zijn op God.
We kunnen het ook zo zeggen: ‘Er komt een tijd, dat mijn moeder mijn zuster in Christus zal zijn, en mijn vader mijn broeder in Christus. En dat zal ook voor mijn kinderen gelden. En voor mijn partner. In dit aardse leven zijn wij ouders, kinderen, partners, vrienden, vijanden… Maar in het Koninkrijk zijn wij allemaal, helemaal, broeders en zusters in Christus.’

2. Jezus maakt nog een tweede punt in de discussie met de Saduceeën over de opstanding. Het eerst punt dat Jezus maakte was: Jongens, jullie denken wel erg klein en menselijk en bekrompen over God en de opstanding.
Het tweede punt is dit: Jezus neemt de Sadduceeën mee naar de Schrift, naar de Tora, naar Exodus 3, naar de brandende braamstruik waar Mozes door God wordt geroepen. Jezus legt dat roepingsverhaal dan als volgt uit:
Wat betreft de opstanding van de doden, hebt u in het boek van Mozes in het gedeelte over de doornstruik niet gelezen dat God tegen hem zei: Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jacob? Hij is geen God van doden maar van levenden; u dwaalt vreselijk!

Jezus speelt het spel van de Sadduceeën hier mee, en komt met een typisch Rabbijnse theologische redenering op de proppen.
A. De Tora zegt dat God de God van Abraham en Isaak en Jacob is – ook al waren de aartsvaders waren toen al een paar honderd jaar overleden.
B. De Tora zegt ook dat God een God van levenden is.
C. Dus zijn de aartsvaders voor God in leven. Dat is onmogelijk als er geen opstanding uit de dood is, geen persoonlijk voortbestaan bij God.
Bijbels bewijs voor de opstanding geleverd

Ik weet niet of u dit een overtuigende redenering vindt.
In ieder geval komt Jezus in dit tweede punt met een tamelijk rationele redenering de rationele sadduceeën tegemoet, waarbij hij tegelijk het wonder van de opstanding laat staan.
De Sadduceeën doen er verder het zwijgen toe.
Nu ja, de Sadduceeër Kajafas zal later aan Jezus nog wat vragen stellen, maar die vragen zullen ook niet veel opleveren.

Jezus vertelt ons ook vandaag niet hoe het leven in de opstanding er precies uitziet. Dat gaat ons voorstellingsvermogen te boven. Wij aardse mensen kunnen daar letterlijk en figuurlijk niet bij met ons mensenverstand.
Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen (1 Kor 13).
Maar hierover is Jezus glashelder: de dood zal niet het laatste zijn. Want God de Vader is een God van levenden. God leeft in de hemelse heerlijkheid met al de zijnen. Straks, na zijn sterven en opstaan, zal daar ook zelf ook Jezus daar weer binnengaan. Hij zal daar heengaan om ons een plaats te bereiden, opdat ook wij in die allesoverstijgende liefde mogen delen.
Hierover is Jezus glashelder: de dood is niet het laatste. Wie in Hem gelooft zal niet sterven, maar verhuizen van een tent naar een paleis, van gebrokenheid naar heerlijkheid, van de tijd naar de eeuwigheid.
Om stil van te worden.
En om daarna uitbundig te gaan zingen.

Zondag 18 november 2018
P.G. de Hoeksteen
Marcus 12: 18-27
Ds. Frans-Willem Verbaas