Ze weten nog niet eens wat voor moois hen te wachten staat

Als we naar de kerk lopen of rijden op zondagmorgen, is het meestal nog rustig op straat. Paar mensen die hun hond uitlaten.  En altijd wel een stel joggers.  (Of sportfietsers, of wandelaars met van die lange stokken.)   Nu houd ik zelf ook wel van rennen (en in de kerk zitten ook heel wat renners). Dus soms denk ik dan wel eens, vooral als het mooi weer is: stukje rennen, dat lokt wel aan. Frisse wind. lekker gezond. Hoofd een beetje leegmaken. Genieten van de schepping.  Zo kijk ik die joggers dan na, of die fietsers, of wandelaars met die stokken.

En een andere zondag denk ik dan: (als het zo koud is als vandaag): het is mooi, dat rennen, maar ik ga eerst lekker zingen. En in de kerk maken we ons hoofd ook even leeg van de alledaagse zorgen. Geen kwaad woord over joggen: maar als je rent hoor je meestal vooral je eigen stem. In de kerk horen we een andere stem, een tegenstem – de stem van het Evangelie die verrast, en troost, en soms ook stoort. Een stem die ons vaak bevrijdt uit het kringetje van de eigen gedachten waarin we zo vaak ronddraaien! 

Vanochtend op deze Eerste Paasdag verenigen we het beste van twee werelden. We zitten er warmpjes bij in de kerk, we zingen paasliederen, en in het paasevangelie wordt vandaag flink gerend! Het wordt dan ook een beetje een sportieve preek vandaag.

We hoorden hoe Maria Magdalena vroeg op de eerste dag van de week (op zondagmorgen dus) bij het graf ging kijken. Daar aangekomen zag ze dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. En dan vertelt het evangelie: Ze liep snel terug naar de Simon Petrus en de andere leerling van wie Jezus veel hield… (=Johannes).  Letterlijk staat er in het Grieks: ze begon te rennen en ging terug…  En de evangelist Johannes gebruikt dan voor ‘rennen’ een woord dat in eerste plaats echt: ‘hardrennen’ betekent. Want hardloopwedstrijden hielden ze in de oudheid ook al. Het zijn tenslotte de Grieken die de Olypische Spelen hebben uitgevonden.  Maria van Magdala rent naar Petrus en Johannes en vertelt, half buiten adem: Ze hebben de Heer uit het graf weggenomen en we weten niet waar ze hem hebben neergelegd.

Petrus en Johannes bedenken zich niet – die zetten het ook op een rennen.  Toen gingen Petrus en de andere leerling op weg naar het graf. Ze renden beiden, maar de andere leerling snelde vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf aan. Wonderlijk… alsof ze een wedstrijd houden. Met het graf van Jezus als de finish. U ziet: net als tegenwoordig wordt er ook in het evangelie flink wat afgerend op zondagmorgen….  Dat ‘rennen’ zegt iets over de intensiteit waarmee Maria en Petrus en Johannes van en naar het graf gaan. Het zegt iets over hun verdriet en de spanning waarin ze verkeren.  Ze kunnen niet meer rustig lopen. Soms gebeurt er zoveel in je leven, dat je niet meer rustig lopen kunt… 

Johannes komt als eerste bij het graf. Maar dan valt hij stil. Want nu komt het moeilijke stuk: hij moet het graf in. Kijken of Jezus er echt niet meer ligt.  Dat graf van Jezus is meer dan zomaar een graf. Dat graf vertegenwoordigt, symboliseert voor Johannes, en voor Petrus, en voor ons: de dood van Jezus. en onze eigen dood. De enorme teleurstelling waarop alles kan uitlopen. De vergankelijkheid van alles. Dat graf vertegenwoordigt de kwetsbaarheid van alles wat waarde heeft: de liefde, de hoop, het geloof. Dat graf vertegenwoordigt: de crisis, de zonde van de wereld en van onszelf, onze diepste angsten. Dat is wat dat graf allemaal vertegenwoordigt – waarbij Johannes en Petrus nu staan uit te hijgen.

Johannes buigt zich voorover, kijkt even naar binnen, en deinst dan terug.  Dat is een menselijke reflex: om weg te bewegen van pijn en teleurstelling.  
Johannes aarzelt, valt stil. Petrus komt als laatste aan, maar gaat vervolgens wel als eerste het graf binnen. We doen vaak wat schamper over het haantjes-gedrag van Petrus – maar vandaag mogen we hem bewonderen. Hij deinst niet terug voor alles waar dat grafvoor staat.
Petrus gaat de confrontatie aan. En dan ziet hij in dat graf: de linnen doeken waarin het lichaam van Jezus gewikkeld was, en hij ziet dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken ligt, maar apart opgerold op een andere plek. Die details wijzen erop dat het lichaam van Jezus heel behoedzaam van zijn lijk-windsels ontdaan. Daar was geen haast bij, dat gebeurde in alle rust. Dat duidt erop dat het lichaam van Jezus niet haastig gestolen is, zoals de farizeeën later zullen beweren. Wat die windsels ons vooral willen zeggen is dit: je ontdoet een lichaam alleen van zijn lijkwindsels, als dat lichaam niet dood meer is…

Dan komt ook Johannes het graf in. Alleen durfde hij dat niet. Maar Petrus volgen durft hij wel. (Goed voorbeeld doet nu eenmaal goed volgen.) En dan lezen we: Hij zag het en geloofde. Wat zag hij? Hij zag dat het graf leeg was – en die keurig opgerolde doeken. Wat geloofde hij? Dat Jezus dus niet dood maar was, maar leefde. Dat Jezus was opgewekt. Dat voor Jezus de dood dus niet het einde was. Nu pas, zo lezen we, begrijpen Johannes en Petrus de Schrift, waar Jezus zo vaak uit citeerde. Nu pas begrijpen ze wat Jezus zei over sterven en na drie dagen weer opstaan.  Nu pas zien ze het. Nu geloven ze.  Nu kunnen ze zingen: U zij de glorie, opgestane Heer.   

Dan gaan ze terug naar huis. Nu lezen we niet meer dat ze rennen. Ze gaan… Rustig. Geen geren meer, geen gehaast. Geen paniek. Zij die geloven haasten zich niet, zegt Jesaja. Soms kun je zien aan de manier waarop mensen lopen of fietsen of autorijden hoe ze zijn. Rustig of haastig. Ontspannen of gestrest. Toen Sola Gratia nog bestond, (maar het herijst momenteel weer uit zijn as – ook een vorm van opstanding!) zei een bewoonster eens tegen mij: ‘U fietst altijd zo hard, alsof u altijd haast hebt.’ Sindsdien probeer ik het wat rustiger aan te doen. Wat geloviger te fietsen. Het is de kunst om te leren lopen of fietsen als Petrus en Johannes toen ze van het lege graf terugkeerden.

Dan nog één ding. One more thing… Het Paasevangelie van Johannes vertelt ons vanmorgen dat Petrus en Johannes door het graf van Jezus zijn heengegaan om zo tot inzicht en geloof te komen. Het graf is iets vreselijks. De grote crisis in het bestaan. Maar ook voor deze crisis wat voor iedere echte crisis geldt: ontkennen of ontwijken heeft geen zin. Er is maar één uitweg uit de crisis, en die is er dwars doorheen. De bijbel leert ons geen onsterfelijkheid, geen eeuwigheidselixers, geen zorgeloos bestaan zonder dood… Maar de Bijbel, en in het bijzonder het Paasevangelie leert ons dat er een weg is door de dood heen! De dood is geen eindstation, maar een doorgang. Geen gesloten maar een open deur.
We mogen achter Jezus aan, en achter Petrus en Johannes aan. Door het graf heen. En door alle vooruitgeschoven posten van het graf dood heen – want ook midden in het leven hebben we al met heel wat met de dood te stellen…  Het evangelie zegt ons: blijf niet staan, ga de weg van Jezus. Dat is geen makkelijke weg. Maar op die weg worden we voortgedreven door een grote belofte. De belofte van Pasen: dat die weg niet uit blijft steken in het duister, maar uitkomt in het licht. En als we goed luisteren horen we door de het geopende graf al de muziek van het Koninkrijk van God. U zij de Glorie, opgestane Heer… 

Dus, als we volgende week zondag weer naar de kerk wandelen (rustig! gelovig!), rond half tien (volgende week beginnen we weer om half tien!)… En we zien onderweg joggers voor bijrennen. Of sportfietsers. Of wandelaars met van die stokken. Dan moet u maar denken: kijk, daar gaat Maria, en daar gaan Petrus en Johannes. Ze weten nog niet eens wat voor moois hen te wachten staat. En dan moeten we vooral niet vergeten oprecht vriendelijk naar hen te zwaaien.    
Zalig Pasen!

Ds. Frans-Willem Verbaas