Zegenen en zwaaien

Het gebeurde aan het einde van een van mijn eerste diensten in Akkrum. Wij hadden het slotlied gezongen, het orgel zweeg, de gemeente wachtte op de zegen. Dat laatste, het wachten op de zegen, is een geladen moment. De dienst in de kerk loopt ten einde, de dienst aan de wereld gaat weer beginnen. God zelf doet door middel van zijn zegen de gemeente uitgeleide, en als voorganger mag ik dan dienstdoen als tijdelijk, bewegend,
levend, kortom menselijk doorgeefluik. Ik hief mijn armen op en wilde de zegen uitspreken, maar de woorden kwamen niet. Niet dat ik de juiste woorden vergeten was, die had ik inmiddels wel goed uit mijn hoofd geleerd. Bovendien schrijf ik ze voor de zekerheid altijd uit onder de tekst van de gebeden. Nee, ik was sprakeloos, omdat ik op een van de eerste rijen een jongetje op een stoel zag staan dat, net als ik, zijn armen wijd in de lucht had gespreid. Als jij zwaait, dan zwaai ik terug, zal hij gedacht hebben. En hij keek er erg vrolijk bij. Vrolijker in ieder geval dan de dominee een paar meter voor hem. Ik wist zo snel niet hoe te reageren.

Gewoon de zegen uitspreken? Of eerst even terugzwaaien? Maar kon ik het wel maken om het plechtige zegenmoment aan het einde van de dienst te onderbreken door een beetje te gaan zwaaien naar een kind in de kerk? Over zegenen gesproken: ook al kunnen kinderen voor vreemde situaties zorgen in de kerk, we zijn natuurlijk gezegend door hun aanwezigheid. Een kind, elk kind is een teken van hoop. Kinderen bergen de toekomst in
zich. Zij stellen die toekomst alleen al door hun aanwezigheid in ons midden present. Daarom is hun aanwezigheid een gave, maar tegelijk ook een opgave: al die kleine toekomstdragers moeten zich wel een beetje thuis kunnen voelen in de kerk. Zij vormen een kritisch publiek dat het direct (en vaak nogal genadeloos) laat merken als het niet geboeid wordt, of als het niet begrijpt wat er allemaal gebeurt. Het gesprek met de
kinderen dat plaatsvindt voor ze naar de nevendienst gaan, kost me soms nog wel meer hoofdbrekens dan de preek zelf. Dat gesprek moet kort en duidelijk zijn.

Kinderlijk eenvoudig maar niet kinderachtig. Het is ook een soort proef op de som: pas als kinderen kunnen luisteren naar wat je te vertellen hebt, weet je dat de boodschap die je die zondagochtend brengen wilt ‘luid en duidelijk’ is. Als de kinderen het kunnen vatten, mag je erop vertrouwen dat het met de rest van de gemeente ook wel goed komt.

Hoe het afliep? Ik heb geprobeerd het jongetje zo vriendelijk mogelijk toe te knikken, maar ik heb niet naar hem gezwaaid. Helaas, denk ik nu. Had ik wel moeten doen. Gemiste kans. Als er ooit nog eens een kind begint te zwaaien wanneer ik mijn armen hef om de zegen te geven, zal ik eerst terugzwaaien. De rest van de gemeente moet dan maar even wachten. En ach, is zegenen in feite niet een vorm van zwaaien, maar dan namens God?

Ds. Frans Willem Verbaas

(Deze overweging schreef ik in de zomer van 1989 voor het kerk- blad van de SoW-gemeente te Akkrum, die ik van 1987 tot 1992 als predikant diende. Met deze overweging opent het boekje dat ik samenstelde ter gelegenheid van mijn vijfentwintigjarig ambtsjubileum: Kleine theologie van het wonder, vijfentwintig jaar predikantschap in vijftig korte verhalen en gedachtesprongen.)