Zijn Naam uitroepen

De man op de achtergrond

De man op de achtergrond. Nog jong, stel ik mij voor. Verloofd met Maria, een huwelijk in het vooruitzicht. Uit de familie van David komt hij voort. Rechtvaardig, wordt hij genoemd. Dat is, hij heeft God lief en houdt zich aan zijn geboden.
Jozef is zijn naam. En ongewild raakt hij betrokken in een wonderlijk gebeuren. Waar hij het liefst zo snel mogelijk weer uitstapt.

Hij wordt rechtvaardig genoemd. Maar deze gelovige jongeman, verijdelt bijna de plannen van God. Maria, zijn verloofde, blijkt zwanger te zijn. Maar het kan onmogelijk zijn kind zijn dat zij draagt. Hij beraamt een plan, zo vertaal de Naardense Vertaling. Hij beraamt een plan om Maria in het verborgene te verlaten. Want stel dat zij het met een ander heeft aangelegd. Of dat ze dit hele verhaal verzint. Die engel, de heilige Geest. Het kind dat op wonderlijke wijze in haar groeit.

Vanaf het eerste begin is de incarnatie, hoe God mens wordt, omgeven met een zekere dubbelzinnigheid. Jozef moet het er maar mee doen, maar zo gemakkelijk gaat dat niet. Zelfs niet voor een rechtvaardig mens, die vroom met God leeft. Een mens uit één stuk zouden we graag zijn. Maar veel vaker is dat ene stuk gebarsten, en lopen er door alle goedheid heen ook lijnen van vertwijfeling, van ongeloof.

Want al die heilige, wonderlijke gebeurtenissen rond Jezus van Nazareth, is dat niet al te veel voor een mens om te aanvaarden? Nooit is het te bewijzen, en iedereen die wil kan het weerleggen. Zwanger door de heilige Geest? Kom nou. Een engel die je vertelt wat gebeuren zal? En de opstanding dan, natuurwetenschappelijk onverklaarbaar, voor moderne mensen toch zeker een brug te ver? En het geloof zelf, praten we ons dat niet aan, is het niet gewoon psychologie voor onzekere mensen die houvast zoeken?

En zo kan alles worden bevraagd, en is Gods komst omgeven met grote vragen en kan niemand bewijzen dat het werkelijk zo gegaan is. En Jozef is door diezelfde aanvechting bevangen, als wij vandaag zomaar bevangen kunnen zijn. Wie zal hem kwalijk nemen dat hij een plan beraamt, om uit die greep van Kerst te ontsnappen? Om Maria alleen te laten met haar vreemde verhalen en haar stille aanvaarding?

Een engel moet er aan te pas komen, om krachtig woorden Gods te spreken. Midden in de nacht, als alles duister is, en Jozef zijn plan uiteenzet, hoe hij Maria kan verlaten, een plan waarbij hij Maria overigens niet te kort wil doen, hij wil haar niet te schande maken. Maar zelf hoopt hij er ook ongeschonden uit te komen. Maar zijn plan wordt gedwarsboomd, door God die hem op een ander spoor trekt.

En in die nacht ontvouwt zich iets wat je het geheim van het geloof kunt noemen. Een engel van Godswege spreekt tot zijn hart. Vrees niet Jozef, neem Maria tot je vrouw, het kind is een nieuwe schepping, gegenereerd uit de heilige Geest. Voortgekomen uit de scheppingskracht van God.

Verklaren deze woorden alles voor Jozef? Is het hem nu duidelijk en kan hij met een gerust hart bij Maria blijven? Ik weet het niet, we lezen het niet. Maar Jozefs hart wordt aangeraakt, en in die nacht wekt de Geest in hem een nieuw geloof. Een vast vertrouwen, dat het van God komt.

Vertrouwen dat God met zijn goedheid wegen opent, die voor ons onbestaanbaar zijn. Daarin wordt iets zichtbaar van geloof, dat wij niet zelf kunnen grijpen, maar ons door de heilige Geest geschonken wordt. En de vertwijfeling van Jozef wordt overdekt met aanvaarding. Het verlangen om zijn eigen weg te vervolgen, wordt omgekeerd tot een diepe overgave aan God, als Jozef uiteindelijk zal doen wat de engel hem opdraagt.
Er groeit een nieuwe zekerheid. Als Jozef in het wonder iets ontdekt van de goedheid van God, de schoonheid van zijn liefde. En als je door de dubbelzinnigheden heen, door de vertwijfeling en de vragen heen, geloof ontvangt. De zekerheid dat God er in meekomt en het zo zal maken dat het goed is.

En voor Jozef geldt dat net zo goed als voor ons, mensen in de 21e eeuw. Die de aanvechting van Jozef soms maar al te goed kennen. En met hartstocht bidden wij of de Geest ons zo’n geloof schenkt. Een geloof van vertrouwen op God, die door de dubbelzinnigheid van engelen en dromen en wonderen heen, tot ons komt. En ons meeneemt in zijn spoor, opdat we als Maria zouden zeggen: U wil ik dienen Heer. Laat het zo zijn, zoals U wilt.

Zijn Naam uitroepen

En de man op de achtergrond krijgt een grootse roeping. Alles concentreert zich rond Maria, rond het kind. Maar Jozef doet daarin wat de engel hem opdraagt: de naam van het kind uitroepen! Niet zomaar een naam bedacht, maar de Naam waarin ons verteld wordt, wie dit kind is. Zo moet Hij heten, want zo zal Hij zijn. Jezus is zijn naam, van het Hebreeuwse woord Yasha, redden. Zo laat God zich aan ons kennen, in dat kind in de kribbe: God redt.

Wie God is, dat kunnen wij niet bedenken. Niet zelf verzinnen. Wij kunnen Gods naam niet opmaken uit wat zich aan ons voordoet, uit wat we zien, of wat we denken. Tenminste, het kan wel. Maar de vraag is of we het dán over God hebben.

Kennis van God moet ons gegeven worden, vanuit de Schriften wordt het ons aangereikt. Aan Jozef wordt verteld hoe hij het kind noemen moet. Zo wil God heten, want zo is Hij. En dán komt er ruimte om God te leren kennen, zoals Hij zich wil láten kennen. Er komt ruimte om Hem aan te spreken, zijn Naam te noemen en tot Hem te bidden.

Je maakt dan als het ware een omgekeerde beweging. Niet vanuit je eigen ervaring, vanuit wat je denkt dat God zal zijn, of wat er in algemene zin over God gezegd wordt, wat ‘men’ van God denkt.

Maar andersom, God leer je kennen vanuit zijn eigen Woord, vanuit hoe Hij zichzelf laat noemen. De Bijbel gebruikt veel verschillende namen en beelden voor God, ze onthullen iets van zijn grootheid, van de diepte en hoogte van God, die wij in dit leven nooit ten volle kunnen kennen. Maar wat ons gegeven is, is genoeg om mee te leven.

En het diepste zie je dat hier, in Mattheus 1, een menselijke God, die de aarde niet schuwt en de mensen niet minacht. Zo mogen wij Hem kennen.
Bevrijder van zonden = Immanuël
Met het Hebreeuwse woord moet het kind genoemd worden, yasha, Jezus. Het komt van het werkwoord redden, bevrijden. Het Oude Testament staat er vol van, en het kernverhaal is de bevrijding van Israël uit Egypte, uit het slavenland. En zo wordt Jezus genoemd naar God die de bevrijder is van zijn volk.

Ruimte maken, wordt ook wel gezegd. Bevrijden is ruimte maken. Drempels worden geslecht, deuren worden ontsloten en grenzen doorbroken. Er ontstaat een nieuwe ruimte om te leven. Het beloofde land, als beeld van Gods koninkrijk, waar er vrijheid en vreugde is, voor het aangezicht van God.

De keerzijde van ruimte, van vrijheid, is ingesloten zijn. Opgesloten. Mattheus heeft het dan over zonden. Een beladen woord. Misschien denk je dan als eerste aan ‘dit mag wel en dat mag niet’. Dat wat al te menselijk is, wat ergens op de achtergrond aan je geweten knaagt.

Sommigen van ons zijn groot gebracht met een waslijst aan zonden waar je voor gewaarschuwd werd. Van bioscoopbezoek tot het beluisteren van popmuziek, noem maar op. En als je er later anders over bent gaan denken, de vrijheid hebt gevonden van het leven met God, kunnen die zondenlijsten je soms nog flink dwars zitten.

Maar dat zijn niet de dingen waar het hier over gaat. Zonde is veel ingrijpender, veel dieper. Het ontwricht. Zonde is God ontkennen. Doen alsof Hij niet bestaat, leven alsof Hij er niet is. Lang niet altijd gaat dat bewust. Het is de ook de druk van het leven, waardoor je soms na lange tijd merkt: ik heb God zomaar aan de kant geschoven. Als een nutteloos concept dat geen betekenis meer heeft. Ik red mij wel zonder Hem.

Of veelmeer als een relatiebreuk. Een liefde die je verlaat, aan de kant schuift, om op eigen houtje verder te gaan. In hoeverre verwacht je van God wat Hij door Jezus tot ons zegt. Dat Hij het is die redt, en vrijmaakt? Is ons leven niet veelmeer ons eigen project, dat we uit alle macht proberen zo te organiseren, dat het leefbaar en succesvol is, dat we er trots op zijn.

En tegelijk is het ook heel eenzaam, misschien merk je dat wel. Sommigen vertellen het mij ook, ik wil het niet alleen doen. Ik heb God nodig, maar hoe vind ik Hem, waar in mijn leven is er plek voor Hem? Iets van dat dubbelzinnige van Jozef komt hier misschien in terug. Met God op weg willen gaan, en tegelijk zo verlangend naar eigen regie en zelfredzaamheid.

Eenzaam kan dat zijn. En uiteindelijk ook heel verlammend. Omdat er zoveel dingen boven je macht gaan. Ik merk dat als ik zo’n dramatische foto op de voorpagina van de Trouw zie, van angstige vrouwen met kinderen, op de vlucht uit Aleppo. Of van dramatische berichten over de Amerikaanse verkiezingen, mogelijk beïnvloed door Rusland.

En heel dichtbij, hoe verlammend is het, als het lijkt alsof iedereen een ontspannen Kerst met elkaar viert, terwijl je zelf al weken van tevoren zit te tobben of je eerst naar je vader en daarna naar je moeder gaat, of andersom. Dat je niet weet hoe een gebroken gezin ooit weer aan één tafel zit, hoe een uiteengevallen familie elkaar ooit weer zal vinden.
Zo is ons leven. Heen en weer geslingerd tussen eigen kracht, tussen een onzekere toekomst, een wereld in chaos en daar doorheen dat diepe verlangen naar God in ons leven.

In die wereld, onder zulke mensen zoals wij zijn, net als Jozef soms zo dubbelhartig, onder zulke mensen komt God. En zijn naam wordt door Jozef voluit geroepen: bevrijder is Hij! De redder van zonden. Om ruimte te scheppen, daarom is Hij gekomen. Niet om te beknellen, of om te veroordelen. Nee, om ruimte te maken en open te breken wat gesloten is. In de kerk, in de wereld, in jouw leven.

Daar hebben we de Geest voor nodig, die ons hart andere wegen wijst dan wij zelf willen gaan. De Geest die je oren opent, zodat je hoort wat Jozef met hart en mond uitroept: Jezus is zijn Naam!

En hij vertelt ons: je bent niet ten dode opgeschreven, niet gedoemd om tot in de eeuwigheid met je mee te dragen wat je hart belast. Nee, God is gekomen in ons bestaan, om je vrij te maken. Hij neemt de last van je schouders en brengt je in de ruimte van zijn koninkrijk. Waar een overvloed is aan ontferming, en aan barmhartigheid.

En midden in die eenzaamheid, waar je op jezelf bent aangewezen, en waar je soms zo door vrees overvallen kunt worden dat God er niet is, en dat het verzinsels zijn, wonderlijke dromen die als een luchtbel vervliegen, in die eenzaamheid wordt Jezus’ tweede naam genoemd. Immanuël. Met ons is God.

God met mensen die Hem van hart liefhebben en dienen. Maar ook, God met mensen die Hem geen blik waardig keuren, of die voortdurend aarzelen en twijfelen. God met mensen die Hem niet willen kennen en verwerpen. Maar die schande, die draagt Hij zelf.

33 jaar later, hangt deze mensgeworden God, Jezus Christus, aan het kruis. ‘Anderen heeft Hij gered, spotten de omstanders. Laat Hij zichzelf redden, als Hij kan.’ (Mt 27: 42) Maar Hij redt zichzelf niet. Hij kiest de godverlatenheid. Om ons te redden. Om God met ons te kunnen zijn.

En daarom roepen wij dag en nacht zijn naam uit. Zondag aan zondag hier in de kerk, met Jozef mee: Jezus is zijn Naam. Wij roepen het uit, tot elkaar, tot onszelf, tot op de dag dat Jezus terugkomt. En wij God zullen zien van aangezicht tot aangezicht.

Amen
Mattheus 1: 18-25
Zondag 18 december 2016, 10.00 uur, 4e Advent
P.G. de Hoeksteen
Ds. Hanneke Ouwerkerk