Zingen en ademen

Mintijteer

Esther Maria is nog jong als ze aan het bed van haar oma zit, die ernstig ziek is. Jaren terug heeft Esther afscheid genomen van God, toen haar vader stierf en haar eindeloze hartstochtelijke gebeden onbeantwoord bleven.
Nu zit ze aan het bed bij haar oma. Ze zingt kinderliedjes, avond aan avond. Oma zingt soms mee. In haar gedachten komt een liedje van vroeger. Zo’n liedje waarvan je de woorden amper begrijpt, en je je eigen woorden er van maakt. Later ontdek je hoe de zinnen echt lopen, en welke woorden het liedje bevat. Maar telkens kom dat andere woord er ook weer bij.

Hoewel de Heer voor haar verdwenen is, begint ze zomaar dat liedje te zingen, dat ze vroeger vaak zong. “Aan die duizend duizendtallen, heeft de Heer een welgevallen, en ook mij bemint Hij teer, en ook mij bemint Hij teer.” En oma valt bij, en samen zingen ze. En plotseling herinnert Esther zich dat vergeten woord, dat ze zelf maakte bij de ouderwetse woorden uit het liedje. Mintijteer. En ook mij bemint Hij teer, zo klinkt het liedje. Mintijteer, zo klonk dat voor Esther toen ze nog klein was. En op dat moment, bij oma aan het bed, herinnert ze zich dat woord, en slaat haar hart over en ontdekt ze de waarheid van het lied.. Langzaam schuift de sluier van haar hart opzij, en leert ze God opnieuw kennen, in zijn liefde. En ook bemint Hij teer. Mintijteer.

Ik denk dat je iets van die ervaring wel kent. Hoe een lied van jaren terug in je hart opgeborgen ligt. De woorden, je bent ze vergeten, of ze zijn sleets geworden, het zegt je niet meer zoveel als vroeger. En dan ben je bij je oma aan haar sterfbed, of je loopt over de dijk, je ligt onder de scan, of staat op het schoolplein, en ineens, komen die woorden uit je hart naar boven. En voel je weer die kracht, die waarheid van die woorden, van dat lied.

Ik heb dat zelf heel sterk met de psalmen. In de gemeente waar ik groot werd, zongen wij alleen psalmen. Nooit een ander lied, ook niet met kerst. Alleen de psalmen. Ik ken ze ondertussen vrijwel allemaal uit mijn hoofd, de oude en de nieuwe berijming. In mijn studententijd kwam ik in aanraking met het Liedboek. Er ging een wereld open voor mij, aan prachtige melodieën, diepe teksten. Prachtig. Nog altijd houd ik enorm van het liedboek, de gezongen, de poëzie.

Maar verrassend genoeg merk ik in de afgelopen jaren hoe zomaar ineens zo’n oude psalm opduikt in mijn hoofd. Woorden waarvan ik niet wist dat ze nog in mij lagen. Maar soms aan een ziekbed, of tijdens een wandeling, of als ik de was aan de droogmolen hang, komen ze boven.

Op mijn verzoek zongen we vanavond ook een psalm. De combinatie van de lichtvoetigheid van de piano, en de diepte van een psalm, vind ik heel sterk. Op de een of andere manier krijgt het een nieuwe klank.

Ik denk, als je hier bent, dat zingen je lief is. Vanavond zingen we vooral nieuwe liederen, in onze eigen taal, met nieuwe woorden, nieuwe klanken. Dat is goed om te doen. Ik hoor ook van jullie, hoe goed het je doet. Hoeveel kracht het je geeft voor de week. En hoeveel vertrouwen op Gods nabijheid. Dat is wat een lied kan doen. Een oud en een nieuw lied.

Het is ook het unieke van de kerk. Dat er een ruimte is om samen te zingen. De een heeft een prachtig stem, de ander bromt mee, de ander probeert wijs te houden. En samen zijn we een koor van hele gewone mensen, maar de muziek tilt ons op en opent ons hart voor de ontmoeting met God. Ik hoop dat je dat ook ervaren zult vanavond.

Zingen en ademen

Voor zingen is je adem van cruciaal belang. Ademen is zo gewoon geworden, vaak, dat je er nauwelijks op let. Maar er zijn twee momenten in het leven, waar heel ingespannen naar je adem geluisterd wordt. Dat is bij je geboorte, waar je vader en moeder gespannen wachten op de eerste ademteug. Het inademen, het huilen en de opluchting, hij ademt, zij ademt. En het is bij je sterven. Als je adem stokt, en weer opvlamt, en weer stokt, tot de laatste adem uitgeblazen wordt. Tussen die eerste inademing en die laatste uitademing, ligt ons leven.

Ziel, gij zijt geboren, tot zingen voor de Heer uw God. Zingt psalm 146. Elk lied, elke zang, is als het ware een herhaling van je geboorte, als je inademt om de woorden te zingen. En het is een voorafschaduwing van de dood, als je uitademt. Zingen leert ons wie de Schepper is, namelijk God de Heer. Wij zijn mensen, gemaakt om voor Hem te zingen en Hem te prijzen. Hij heeft ons gewild. Jouw leven, van begin tot eind, is bij Hem opgetekend. En als je zingt, dan dank je Hem daar voor. U bent de Schepper, de God van het leven. Ik zing u toe van eerste kreet tot laatste zucht.

Dat besef is vaak heel sterk aan een sterfbed. Het is de plek waar ik als predikant nogal eens sta. En waar vaak gezongen wordt. Omdat je dan dicht bij de grens bent, van leven en dood. Dicht bij het besef dat God de Schepper is, en als je je laatste adem uitblaast, geef je je adem, je leven, terug aan God.

De Jacobsladder

Ken je het beeld van de Jacobsladder? In de droom van Jacob, klommen engelen op en neer van de hemel naar de aarde en van de aarde naar de hemel. Zo is het ook met zingen. Wij zingen voor God en loven zijn naam. En God voedt ons in het zingen door zijn woord. Die op- en neergaande beweging zit ook in het lied, in de zang.

Er wordt weleens geklaagd over de eenzijdigheid in de kerk, alsof het eenrichtingsverkeer is, je kunt niet zoveel terugzeggen. In zekere zin is dat zo, de dominee is veel aan het woord. Maar toch is dat niet helemaal waar. In het zingen zijn wij samen in gesprek met God. Voortdurend ben jij, zijn wij, in de gelegenheid om ons te uiten, door middel van het lied. In de liturgie is het lied een antwoord. Een steeds weer terugkerend op God die naar je vraagt en die je opzoekt. In het lied zeggen wij: Heer, hier ben ik. Mijn lied is voor U, neem het aan en hoor naar mij.

Nu zijn er veel soorten liederen, van lofprijzing tot klacht, tot een lied van verstilling of van verdriet, van toewijding of van vertwijfeling. Vanavond gaat het vooral om de lofprijzing, dat is de oervorm van het lied. De ongebreidelde aanbidding en lofprijzing van God. Maar daar doorheen lopen ook al die andere liederen, dat hoort er helemaal bij, omdat de werkelijkheid zo is. Maar altijd is daar ook de aanbidding, de lof aan God. Waarmee wij ons naar Hem toekeren en onze handen openen: hier ben ik Heer, wees ons nabij.

Wij zingen niet voor onszelf, of om er een goed gevoel van te krijgen. Dat kan gebeuren, een mooie bijkomstigheid. Maar dat is niet waar het mee begonnen is. In de kerk zingen we voor de Heer, daarvoor zijn we geboren. Zingen voor God de Heer. De traditie aan liederen is breed, en groot. Wij putten uit een deel van die traditie. Psalmen en gezangen, maar ook nieuwe liederen als Opwekking en Sela. Maar een ding hebben ze gemeen, ze komen op uit de Schriften, uit het Evangelie. En daarom worden ze gezongen.

We zingen om het Woord van God te horen, te voelen, en te beleven. Want zingen doe je met heel je lijf. Je ademt in en uit, je hart gaat op en neer, je lijf doet helemaal mee. En je hoofd en je hart doen mee. De woorden van God worden als het ware op je lippen gelegd. En terwijl je ze zingt komen ze in je hart, ze gaan door je heen. En het doet iets met je.

Soms zing je een lied dat tegen alles ingaat, tegen je gevoel en je verstand, tegen je geloof en je hoop. Maar door de woorden te zingen, gebeurt er iets. Tussen jou en God, in de gemeente. De woorden worden in ons gelegd. En daar liggen ze. Soms een tijd lang, soms jaren lang. En dan ineens merk je, dat iets van je bitterheid in vrede verandert is. Dat je al zingend iets van vreugde ervaart, in de rouw. Of hoe je schuld verandert in genade en er vergeving groeit in jou.

Het is een kracht van de kerk, van de gemeente, dat wij samen zingen. Je zingt niet voor jezelf, maar je zingt met elkaar. En als wij samen zingen, dan roepen we elkaar als het ware toe: vertrouw op God, Hij is de levende! En terwijl je buurman uit de grond van zijn hart meezingt, en je buurvrouw stilletjes de woorden fluistert, en jij vertwijfeld halfslachtig meezingt, gebeurt er iets in de gemeente. Al zingend word je er aan herinnerd, dat God er is. Al zingend vertellen wij elkaar van God en van zijn grote daden in ons leven.

Calvijn zegt: de tekst van een lied, wordt door de melodie als door een trechter in je hart gegoten. Prachtig beeld. Het lied, de noten, de melodie, is als een trechter. En daar doorheen giet God zijn woorden, zo in je hart.

Zingen is niet zomaar een goede gewoonte van de kerk. Het is een bittere noodzaak. Want wat wordt er niet allemaal in je hart gegoten? Door een Netflix serie die op het oog onschuldig lijkt, maar waarvan je na een paar avonden merkt dat het je neerdrukt, en tot een egoïsme brengt waar je koud van wordt. Of door muziek die je luistert, met woorden die je somber maken, en wantrouwig naar je medemens. Of door… noem maar op. Wat laat je allemaal in je hart gieten? Het is goed dat je hier bent, en dat we in Gods naam zingen en goede woorden in ons hart ontvangen.

Want als je zingt, dan wordt het Woord van de Heer in jou tot een werkelijkheid. Het verandert je, en doet je opnieuw geloven. En hopen. En liefhebben. Als wij zingen van de God van Psalm 146, dan herinneren wij elkaar er aan dat God een God van gerechtigheid is, en van trouw. Nu wij dit lied zingen, dan giet God die woorden in ons uit. En wordt je opgeroepen om in het spoor van die God te gaan. Om zelf ook gerechtigheid te doen, en trouw te zijn.

Goddank is ons het lied gegeven. Laten wij uit volle borst zingen voor God de Heer!

Zondag 14 oktober 2018, 18.30 uur
P.G. de Hoeksteen
Ds. Hanneke Ouwerkerk