Dat we de moed krijgen om onze handen te openen

Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen:
Het wordt vanmorgen een ongemakkelijke preek.

Dat heeft ten eerste zeker te maken met het pittige onderwerp,
maar hangt toch ook wel een beetje samen met de lengte van deze preek…

En zelf ervaar ik wat ongemak over het feit dat ik me voorgenomen had nooit en te nimmer een klassieke ‘3 punten preek’ te maken, en toch is ook dat deze week gebeurd….

1. Een ongemakkelijke emotie

Het eerste punt waar onze aandacht op gevestigd wordt is de confrontatie met een ongemakkelijke emotie: boosheid.

Boosheid is op twee fronten moeilijk. Ten eerste als je het zelf ervaart: als er iets gebeurt waardoor je explodeert, of implodeert. Maar je kunt er ook mee worstelen dat je je van binnen heel boos voelt, soms maanden, soms jarenlang. Het is dan een hele kunst om dat een beetje fatsoenlijk te hanteren.

Maar boosheid is zeker ook moeilijk als het gaat om de boosheid van anderen. Als je er getuige van bent dat iemand boos wordt, dat iemand zo’n beetje uit z’n vel springt, dan voelt dat heel ongemakkelijk. Wanneer iemand gaat schreeuwen, deins je achteruit. En liever kijk je maar niet naar dat van woede vertrokken gezicht. Maar als die persoon vervolgens ook nog eens met het meubilair gaat gooien, dan wordt dat gevoel meer dan ongemakkelijk…. Dan kun je ook bang worden: want waar gaat de woede van de ander zich nog meer op richten? Misschien ook op jou? Je krijgt de neiging om weg te lopen en in een hoekje te kruipen. Je voelt je bedreigd in je bestaan.

Een ongemakkelijke emotie.
Maar het wordt allemaal nog veel ongemakkelijker.

Want de man die met het meubilair gooit, is Jezus.
Het evangelie laat ons een beeld van hem zien, dat we niet vaak zien. En misschien ook liever niet willen zien. Een beeld dat volstrekt niet past bij ons idee van een liefdevolle leraar die zijn volgelingen met eindeloos geduld steeds opnieuw weer uitlegt hoe het nou zit met het Koninkrijk van God, en hoe dat nou zit met hemzelf.

Past dat beeld van die zachtaardige, rondreizende prediker bij deze figuur, die heel bewust en berekenend te werk gaat, door eerst van touwen een zweep te knopen, om vervolgens met fysieke en verbale agressie het tempelplein schoon te vegen?
Wat gebeurde er nou helemaal voor bijzonders, daar in die tempel,
dat aanleiding geeft voor Jezus om zo te reageren?

Okee, er zijn daar dierenhandelaars aanwezig. Maar dat is logisch. De wet van Mozes zegt namelijk dat je een dier uit je kudde moet offeren aan God. Maar de mensen die in de stad waren gaan wonen, in Jeruzalem, hadden lang niet allemaal meer een kudde. En dan was het handig als je even in de tempel een dier kon kopen, om te offeren.

En okee, in de tempel waren ook geldhandelaars aanwezig. Ook dat is logisch. In de tempel mocht niet betaald worden met munten waarop de keizer stond afgebeeld.
Had God tenslotte niet gezegd in de tien geboden (Irene heeft het net nog voorgelezen)
maak geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde? De keizerlijke munten moesten daarom gewisseld worden voor andere, neutrale munten die je in de tempel als offer kon geven.

Dit is toch allemaal heel logisch en heel nuttig.
Maar ja, er is ook een maar.

En die ‘maar’ heeft te maken met het hart van de tempel, met het heilige der heiligen. Dat was de plek waar ooit, in de eerste tempel, de tempel van Salomo, de ark van het verbond stond. In die ark bevinden zich de stenen tafels met daarop de tien geboden, de woorden van de bevrijding, de woorden die de richting wijzen naar een goed land. De tien woorden die Jezus samenvatte met: het liefhebben van God met je hart, je ziel en je verstand, en je naaste als jezelf.

Maar de ark is tijdens de Babylonische ballingschap verloren gegaan.
En dit hart van de tempel is nu leeg.
En de betekenis daarvan reikt verder dan alleen de letterlijke…

Want laten we nog eens goed naar die zo logisch lijkende dieren- en geldhandel kijken.
In de voorhoven van de tempel wordt vee verkocht. Men kocht dieren, in plaats van ze zorgvuldig uit de eigen kudde uit te zoeken. Men kocht een willekeurig dier, zonder het beste en gaafste uit het eigen bezit te geven. Daarmee was de offerdienst in de meeste gevallen al een loos ritueel geworden dat weinig meer van doen had met de oorspronkelijke betekenis van het offer: namelijk iets van jezelf, iets wat kostbaar voor jou is, aan God geven.

En die geldhandel, ook daar kon je je vraagtekens bij zetten. Want okee, prima om geen munt met de afbeelding van de keizer aan de tempel te schenken, maar aan die handel werd wel verdiend, ook door de priesters.

De tempel, de heilige, aan God toegewijde plaats, is een onderneming geworden. Met een winststreven, debiteurenrisico en marketinginspanning. Alles er op en er aan. Het is een praxis waarbij het niet meer gaat om oprecht offeren aan God. Het moet allemaal op een bepaalde, vastgestelde manier gebeuren, want anders is het niet goed. Het is een dwangbuis. Godsdienst is nu koopwaar. Het hart is er uit. Het geloof is een dood ritueel.

2. Open je handen…

‘Open je handen’. Het is het thema voor deze veertig-dagen tijd.
Hartstikke mooi thema hoor. Maar je krijgt er toch een beetje een ander gevoel bij als je daar staat met open, lege handen omdat alles wat je er in vasthield, er uit weggeslagen is. Alle vormen waar je je aan optrok, alles waar je betekenis aan hechtte. Alles is weg. Het is door een boze man met een zweep hardhandig kapotgemaakt.

Met open, lege handen staan. Dat lijkt niet goed bij ons mensen te passen.
Het viel me pas weer op, toen ik bij de bushalte stond:
Hoe vaak zie je daar nou iemand staan die niets vasthoudt? 9 van de 10 keer is het een telefoon. Heel soms zie je ook nog wel eens iemand een sigaretje rollen, of een krantje lezen, maar met lege handen staan…. Nee, dat zie je niet zo gauw.
Ook in figuurlijke zin staan mensen niet graag met lege handen. Om een voorbeeld te noemen uit de gezondheidszorg: als mensen worstelen met hun gezondheid, houden zij zich soms vast aan bloedwaarden, uitslagen van scans en therapieën. Zo lang mogelijk. En soms nog langer, soms ook nog als het geen zin meer heeft.

Met lege handen staan… ook in ons geloof willen we er niet graag aan. Daar willen we toch ook graag iets vasthouden. Een bepaalde waarheid, een bepaalde vorm, een bepaalde gewoonte. Sterker nog, je kunt soms zo vasthouden aan bepaalde vormen dat je geloof gaat wankelen als er iets aan die vorm verandert.

Ik zou hier veel voorbeelden bij kunnen noemen, maar laat ik het dichtbij huis houden.

Mijn ouders leerden ons om naar de kerk te gaan. Eén keer – twee keer mocht, maar dat hoefde niet. Op een zeker moment in mijn tienerjaren vond ik het mooi om ook altijd ’s avonds naar de kerk te gaan. Ik redeneerde namelijk: hoe vaker je er bent, hoe meer je kunt leren.

Maar in de loop van de tijd werd die goede intentie tot een ‘moeten’ voor mezelf. Ik moest iedere zondagavond naar de kerk, want dat hoorde erbij als je een goede gelovige was, vond ik. En daarmee kwam ook de gedachte, dat als mensen niet twee keer gingen, zij dan wel geen goede gelovigen zouden zijn. Ik veroordeelde anderen op basis van mijn eigen fanatisme.

Uiteindelijk kon ik niet niet meer gaan. Ik moest. De zondagse avonddienst was voor mij een juk geworden, dat me gevangenhield – en niet het middel tot grotere kennis en grotere vrijheid, zoals ik aanvankelijk had gehoopt en had geloofd.
En alhoewel ik er inmiddels van overtuigd ben geraakt dat mijn zaligheid niet afhangt van het wel of niet bezoeken van de avonddienst, kan ik nog steeds, als ik op zondagavond de klokken van de grote kerk hoor luiden en wij ons hebben voorgenomen om thuis te blijven, dat zware schuldgevoel moeiteloos oproepen.

Mijn geloof had zich gehecht aan een vorm.
Een vorm waar op zich niets mis mee is, maar het hart was er uit.
Ik gebruikte de vorm op een bepaald moment namelijk niet meer als middel om dichterbij God te komen, maar als middel om anderen en ook mezelf, de maat mee te nemen.
En daarbij komt nog dat ik ervan overtuigd was, dat als ik deze vorm los zou laten, ik dan ook mijn geloof los zou laten.

Laat ik duidelijk zijn: Met vormen op zich is niks mis.
We mogen ze gebruiken om dat wat we geloven te uiten en te verwoorden. Bijvoorbeeld in psalmen, gezangen en gebeden.
We mogen vormen gebruiken om ons geloof te ondersteunen. Denk aan kerkdiensten, gespreksgroepen of uit de bijbel lezen.

Maar als het alleen maar vormen zijn, zonder kern, zonder hart, dan is er wel wat mis.
Als je je alleen maar vasthoudt aan een vorm, maar je weet niet meer waarom je die vorm hanteert, of de vorm is louter dwang geworden dan is het een dode vorm.

En er bestaat een reële kans dat die dode vorm uiteindelijk ook leidt tot het afsterven van je geloof. Ik bedoel het niet cynisch als ik daaraan toe wil voegen dat al velen je daarin zijn voorgegaan.

Misschien voelt u, voel jij je een beetje ongemakkelijk, als ik dit allemaal zo zeg.

We gebruiken tenslotte allemaal vormen om ons geloof mee te ondersteunen en te voeden. De een is veel bezig met bijbelstudie, de ander met gebed, en weer een ander heeft zich in het vrijwilligerswerk gestort. Hoe weet je nou, of die vormen die jij gebruikt, vormen zijn waar het hart uit is?

Je kunt er eenvoudig achter komen door te zoeken naar een antwoord op de volgende vragen:
1. Van welke vormen in mijn leven ben ik ervan overtuigd dat ik ze ‘voor God’ doe?

En vraag je dan van elke vorm af:

2. Is dit een vorm die mij als gelovige steeds meer met God verbindt? Die mij helpt om hem lief te hebben met heel mijn hart, met heel mijn ziel, en heel mijn verstand?
Of…. hangt deze vorm als een blok aan mijn been en voel ik me er een slaaf van?

Ook dat is deel van deze ongemakkelijke preek: je krijgt ook nog eens huiswerk mee naar huis…

3. Dode vormen loslaten

Stel dat je inderdaad zo’n vorm in je leven hebt, waar je geloof aan vastgekleefd zit maar waar het hart uit is. Hoe kom je daar dan van af?

Het is natuurlijk heel mooi als je zelf in staat bent om een dode vorm los te laten en terug te keren naar de basis: hoe kan ik God dienen, met heel mijn hart, met heel mijn verstand, en met al mijn kracht?
Dat is een heel spannend proces. Het kan ertoe leiden dat er dingen in je leven anders worden. Dat je andere wegen inslaat en open gaat staan voor andere vormen om je geloof te ondersteunen en te voeden. Maar het kan er ook toe leiden dat je alles weer precies gaat doen zoals je het al deed, alleen dan echt met hart en ziel.

Zo kan ik ook weer met rust af en toe een avonddienst bezoeken.
Ik vind mezelf niet meer heiliger dan anderen als ik dat doe, het is geen verstikkende gewoonte.

Maar het lukt echter niet altijd, om zelf een dode vorm los te laten.
Dat zagen we ook in het verhaal van de tempelreiniging.
Soms moet er grof geweld aan te pas komen, en moet de vorm letterlijk, net zoals Jezus dat deed, kapotgeslagen worden. Soms moet alles uit je handen geslagen worden, omdat je het zelf zo krampachtig vasthoudt. Soms moet je radicaal afgesneden worden van iets dat je geloof dreigt te verstikken en te doden.

En dan is de vraag spannend of je, als je alle vormen verliest, je geloof zult kunnen bewaren en het kind niet met het badwater weg wordt gegooid.

Het is een vraag die gaat over het leven of de dood van je geloof. Als je aan de dode vormen vast blijft houden, zal je geloof zeker sterven. Als de dode vormen verdwijnen, heeft je geloof een kans om te overleven.

Het is natuurlijk helemaal niet vreemd dat de Joden protesteren als ze Jezus tekeer zien gaan, als ze voor hun ogen zien hoe Jezus hun dode vormen stukmaakt. Want er staat nog al wat op het spel! Hun leven, hun geloof, is zo sterk verweven met deze vormen, dat zij deze aanval van Jezus ook ervaren zullen hebben als een aanval op hun bestaan.

Geen wonder dat zij reageren op wat er gebeurt en zeggen: ‘Met welk teken kunt u bewijzen dat u dit mag doen?’

(Het is overigens opvallend dat van deze Joden niet staat, dat zij boos waren, of geschokt. En later in het evangelie van Johannes zullen we ook zien, dat op dit ‘vormverlies’ door de schriftgeleerden heel verschillend gereageerd wordt.
Natuurlijk heb je aan de ene kant de boze farizeen en wetgeleerden. Maar we kennen ook het verhaal van Nicodemus, dat direct volgt op onze tekst. Nicodemus, die, nadat alles uit zijn handen is geslagen, op een nieuwe manier naar God gaat zoeken).

Jezus geeft een opmerkelijk antwoord op de vraag ‘Met welk teken kunt u bewijzen dat u dit mag doen?’. Hij zegt: ‘Breek deze tempel maar af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.’ Johannes voegt daar aan toe dat Jezus hier spreekt over de tempel van zijn lichaam.

Jezus zegt hier dus dat hijzelf afgebroken zal worden, maar binnen drie dagen weer opstaat.
Hij laat met deze uitspraak weten dat hij groter is dan gebouwen, waar 46 jaar over gebouwd is.
Groter dan een offercultus, die al een paar eeuwen gebruikelijk was.
Groter dan het hele koor aan priesters, met al hun rituelen en godsdienstigheid.

En Jezus laat hiermee ook aan ons weten, dat hij groter is dan onze vormen. Groter dan de vormen waarmee we ons geloof omgeven.
Vormen die absoluut goed en nuttig kunnen zijn zolang ze hun kern bewaren, maar die tegelijk niet dat geloof zijn.
Want Hij is het.

En dat mag ook onze troost zijn, als we het moeilijk vinden om dode vormen los te laten, en ons afvragen wat we dan eigenlijk overhouden.

Het mag onze troost zijn te weten dat er één is die al die vormen te buiten gaat. Eén die er altijd is, vorm of geen vorm. Eén die in staat is het vuur van ons geloof weer aan te wakkeren.

Dat we de moed krijgen om onszelf in deze veertigdagen tijd in dit ongemakkelijke licht te bezien.

Dat we de moed krijgen om onze handen te openen, en dode vormen los te laten.

En dat we het geloof mogen bewaren dat hij, die groter is dan onze vormen, de God is die de dood zal overwinnen, de God die leeft.

Amen

Ds. Annemarie Roding